Hoofdstuk 2 – Mediacracy, versie 0.1

Zoals ik gisteren beloofde heb ik vandaag hoofdstuk 2 afgeschreven. Het hoofdstuk behandelt de relatie tussen politiek, media en publiek. Aan bod komen onder andere Habermas, framing en politieke gevolgen van het ontstaan van traditionele media.

Het hoofdstuk is hieronder te lezen, of te downloaden als PDF-bestand (750kB). Zoals gebruikelijk is al het commentaar welkom onder het bericht, of via mijn mailformulier.

Hoofdstuk 2 – Mediacracy

Jeroen Steeman (http://www.minitrue.nl)
Communicatie- en informatiewetenschappen/Nieuwe media en digitale cultuur – Universiteit Utrecht
Versie 0.1: vrijdag 29 april 2005
Nuttige bijdragers worden bedankt, maar verder kunnen aan deze reacties geen rechten worden ontleend.

2.1 Het werk van een politicus

Beleid en ideologie
De werkzaamheden van politici vallen te onderscheiden in twee taken. Op basis van ideologie moeten ze een standpunt innemen over het concrete beleid dat de beste oplossing biedt voor vraagstukken in een land of in een gemeente. Dat is de eerste taak van besturen, controleren en toetsen aan de eigen ideologie. Ministers en wethouders maken voorstellen voor het beleid en het parlement en de gemeenteraad controleren deze voorstellen en sturen ze bij als ze dat nodig vinden.

Dit besturen en controleren moet constant gebeuren in het licht van de achterliggende ideologie. Zo is bijvoorbeeld het uitgangspunt van een rechtse partij dat de overheid zich zo min mogelijk moet bemoeien met de burger. Een linkse partij hangt juist het standpunt aan van een actieve overheid, ze moet haar burgers zoveel mogelijk beschermen. Elke partij probeert om in het beleid zoveel mogelijk haar eigen ideologie te volgen, die is immers in de meeste gevallen de grondslag van de partij.

Het besturen, controleren en toetsen aan de ideologie gebeurt voornamelijk in de vorm van vergaderen, soms ook wel eens de favoriete bezigheid van de Nederlandse politici genoemd. Naast vergaderingen in het parlement en de gemeenteraad vinden er ook bijeenkomsten plaats om de ideologische koers van de bestuurlijke maatregelen te bespreken. In deze overleggen kunnen de leden van een fractie overleggen of het beleid de koers van de partij volgt of welke alternatieven beter in de visie van de partij passen. Wanneer een fractie onderdeel uitmaakt van een regerings- of collegecoalitie is dit overleg extra van belang, omdat bij enkele afwijkende stemmen de steun voor de regering of het college onvoldoende kan zijn en er zo een crisis kan ontstaan. Ook de regering of het college moet natuurlijk regelmatig overleggen om erop toe te zien dat het gevoerde beleid wordt ondersteund door de coalitiepartijen.

Daarnaast moet een politicus ook contact houden met andere niveaus binnen de organisatie binnen de partij. Politici moeten zich onder andere voor het bestuur van de partij verantwoorden, ze werken immers onder de naam van de partij. Tenslotte moet een politicus zijn handelen ook kunnen rijmen met zijn persoonlijke opvattingen. Hij is op persoonlijke titel gekozen of benoemd voor een functie.

Zo zien we dat in het proces van besturen en controleren constant de ideologie van de partij om de hoek komt kijken en daarbij moeten steeds allerlei verschillende belangen afgewogen worden. Het beleid dat een politicus voert moet dus constant gecontroleerd worden tegenover zijn eigen ideologie, maar ook tegenover die van de fractie en die van de partij.

Media zijn onmisbaar voor politici
Naast het besturen en het toetsen van het beleid aan de ideologie, hebben politici nog een andere taak. Ze willen graag voor de volgende termijn herkozen worden, of er voor zorgen dat hun partij meer stemmen haalt dan bij de vorige verkiezingen. Om dat te bereiken moeten politici en partijen contact maken met de burgers, dat zijn immers de potentiële kiezers. Een politicus kan echter onmogelijk alle burgers persoonlijk bereiken en tegelijkertijd op de hoogte zijn van al hun voorkeuren. Hiervoor hebben politici de hulp nodig van massamedia. Via kranten, radio en televisie zijn politici in staat om in één optreden enorme aantallen burgers te bereiken met hun boodschap en kunnen ze zo proberen om deze burgers overhalen om op hen te stemmen.

Wanneer een politicus deze media gebruikt om zijn boodschap te verspreiden kan hij verschillende doelen hebben. Ten eerste kan een politicus de berichtgeving van de media proberen te gebruiken om zijn ideologie te verspreiden. Dit kan zowel de ideologie zijn van de partij waartoe hij behoort, maar dit kan ook zijn persoonlijke, genuanceerde ideologie zijn. Ten tweede kan een politicus de media benaderen om zijn eigen beleid uit te leggen en te verdedigen.

Net zoals ik eerder heb beschreven, lopen hier ook de twee zaken van ideologie en beleid door elkaar. Bij het verdedigen van het beleid zal een politicus dat verantwoorden aan de hand van zijn ideologie en bij een discussie over ideologie zal hij voorbeelden van beleidskeuzes bespreken. Voorbeelden van media-uitingen die geschikt zijn voor deze twee doelen zijn een groot persoonlijk interview in het Algemeen Dagblad of een gesprek over een specifieke beleidszaak in Nova.

Het derde doel dat een politicus kan hebben bij het gebruiken van media is het vergroten van de eigen naamsbekendheid of die van de partij. Hierbij komen zaken als beleid of ideologie amper aan de orde. Het is van belang dat de burger het gezicht of de naam herkent en zich aan de hand daarvan gaat verdiepen in andere verschijningen in de media van de politicus of partij. Denk hierbij aan het meedoen bij Tros Triviant of het soms tenenkrommende deelnemen aan Sterrenslag.

Zelfs activiteiten die op het oog niet direct veel mensen bereiken, kunnen via een omweg bedoeld zijn om te worden besproken in de massamedia. Bij een toespraak in het land is de reikwijdte veel groter dan alleen het aantal toehoorders, omdat bijvoorbeeld een regionale krant verslag doet van de toespraak, of omdat het simpelweg mooie beelden oplevert voor een item in het Journaal.

And candidates must still travel, appear, shake hands, go to meetings, kiss children (but carefully), address students, policemen, and every possible ethnic group. Yet, with the exception of fundraising activities, the main target of these various forms of person-to-person politics is to stage the persona, or the message, in the media, be it prime-time TV news, a radio talk show, or a featured article in an influential newspaper.
(Castells 2004, p. 374)

De afbeelding hiernaast geeft schematisch weer hoe de communicatie tussen politiek en burgers verloopt. Politici kunnen door middel van de traditionele massamedia van kranten, radio en televisie de burgers bereiken. De burgers hebben maar beperkte ingangen om via de traditionele massamedia de politici te bereiken. Uitzonderingen zijn programma’s zoals Stand.nl waarbij luisteraars kunnen tijdens de uitzending kunnen bellen om hun mening te geven. Veel meer invloed hebben de burgers door middel van verkiezingen. Daarbij kunnen ze rechtstreeks invloed uitoefenen op de manier waarop het land bestuurd wordt, ze kiezen immers hun eigen vertegenwoordigers.

Macht van de media
Dit politieke stelsel waarin de politiek afhankelijk is van de traditionele massamedia om de burgers te bereiken noemt Manuel Castells mediacracy. Hij schrijft erover in zijn boek The Power of Identity (2004). Mediacracy moet niet gezien worden als het tegenovergestelde van democratie, de massamedia kunnen niet zomaar bepalen wie er wel gekozen wordt en wie niet. Het benadrukt wel de machtspositie die de massamedia innemen in de communicatie van politici naar burgers, en in mindere mate ook andersom.

Zo kon Pim Fortuyn in 2002 bijvoorbeeld zo hoog stijgen in de peilingen door zijn charismatische verschijning en amuserende en aanvallende manier van debatteren. Een groot deel van de Nederlandse bevolking was ervan overtuigt dat hij zei wat zij dachten. De media hielpen hem door er volop aandacht aan te geven. Maar later kregen van de LPF te horen dat ze hadden meegeholpen aan het scheppen van een vijandig klimaat ten aanzien van Pim Fortuyn, terwijl Fortuyn zonder aandacht van de media nooit bekend zou kunnen worden onder het publiek.

2.2 Ideale massamedia

Habermas en de publieke sfeer
De Duitse wetenschapsfilosoof Jürgen Habermas heeft in zijn werk Strukturwandel der Öffentlichkeit (1962)1 beschreven hoe de ideale relatie tussen politiek, massamedia en burgers in elkaar steekt. Om deze situatie uit te leggen is het van belang om eerst enkele begrippen uit het werk van Habermas uit te leggen. De volgende zin vat kort het ideaal van Habermas samen.

Onafhankelijke burgers vormen een publieke sfeer om in kritisch-rationeel debat een mening te vormen over het algemeen belang.

Ik zal de begrippen die in deze zin voorkomen stap voor stap behandelen.

Algemeen belang: Met het algemeen belang wordt logischerwijs het belang van iedereen bedoeld. Vanuit een sociale invalshoek gaat het hier over het welzijn en welvaren van het complete volk. Vanuit een concretere invalshoek gaat het hier over het nemen van beslissingen over het beleid dat gevoerd moet worden.

Kritisch-rationeel debat: Een discussie waarin rationeel en kritisch wordt gedebatteerd. Alle argumenten worden op een eerlijke en verstandelijke manier tegen elkaar afgewogen om te komen tot een mening die het beste het algemeen belang dient.

Onafhankelijke burgers: Om te komen tot dit rationele debat is het van belang dat de burgers die deelnemen aan dat debat volkomen onafhankelijk zijn. Habermas neemt hierbij de bourgeoisie als voorbeeld. Zelfstandigen die niet afhankelijk zijn van de overheid of van een werkgever zouden het beste in staat zijn om over het beleid van de overheid te oordelen, zij hebben er immers geen belang bij.

Publieke sfeer: Aan de ene kant hebben we het hier over de concrete ruimte waarin het debat gevoerd wordt, zoals bijvoorbeeld de Europese koffiehuizen in de achttiende en negentiende eeuw. Aan de andere kant behelst het de grote abstracte sfeer waarbinnen alle debatten vallen. De toegang tot deze sfeer moet voor iedereen gewaarborgd zijn, bijvoorbeeld door het opnemen van de vrijheid van vergadering in de grondwet.

Op het gebied van de definitie van de onafhankelijke burgers heeft Habermas later veel kritiek gekregen. Ook de zelfstandigen hebben persoonlijke belangen en andere ‘afhankelijke’ personen kunnen in staat zijn om hun eigen belangen weg te houden van het debat. In latere publicaties heeft Habermas dit dan ook aangepast tot alle burgers die hun private belangen niet inbrengen in het kritisch-rationele debat. (Habermas 1973, p. 92)

De rol van de media
Habermas besteedt in zijn theorie over het ontstaan van de publieke sfeer veel aandacht aan de opkomst van kranten als eerste vorm van massamedia. De burgers gebruiken deze kranten om te debatteren over zaken van algemeen belang. Zo werkten de kranten als een overkoepelende publieke sfeer, totdat een vrije publieke sfeer wettelijk gewaarborgd is.

The publishers procured for the press a commercial basis without, however, commercializing it as such. A press that had evolved out of public’s use of its reason and that had merely been an extension of its debate remained thoroughly an institution of this very public: effective in the mode of a transmitter and amplifier, no longer a mere vehicle for the transportation of information but not yet a medium for culture as an object of consumption.
(Habermas 1962, p. 183)

De media dienen in hun ideale rol het publieke debat te ondersteunen en te intensiveren. Kranten geven aan de ene kant een verslag van wat er in de publieke sfeer aan de orde komt en geven aan de andere kant redactioneel commentaar op de discussie. Volgens Habermas is dit geen probleem omdat deze commentaren het debat een nieuwe impuls kan geven, mits aan de voorwaarde van (redelijke) onafhankelijkheid voldaan wordt.

Hier zien we dus dat de massamedia aan de ene kant de boodschap versterken en verspreiden onder haar publiek, maar aan de andere kant nemen ze ook zelf actief deel aan het publieke debat door bijvoorbeeld het schrijven van commentaren.

2.3 Framing

Framing is overal
Doordat de uitingen van politici altijd via massamedia verspreid worden, doen ze hun best om ervoor te zorgen dat de media ze beschrijven vanuit de invalshoek die de politici het beste uitkomt. Dat principe wordt framing genoemd.

Media politics is not all politics, but all politics must go through the media to affect decision-making. So doing, politics is fundamentally framed, in its substance, organization, process, and leadership, by the inherent logic of the media system, particularly by the new electronic media.
(Castells 2004, p. 374, cursief verwijderd)

Robert Entman geeft in zijn boek Projections of Power (2004) in een zin een heldere definitie van framing.

Selecting and highlighting some facets of events or issues, and making connections among them so as to promote a particular interpretation, evaluation, and/or solution.
(Entman 2004, p. 5)

Een politicus geeft bepaalde onderdelen van een gebeurtenis meer aandacht of maakt verbindingen tussen verschillende gebeurtenissen om een bepaalde interpretatie van deze gebeurtenissen meer aandacht te geven.

Maar niet alleen politici framen (bewust of onbewust), ook de media zelf kunnen nieuwsberichten niet zonder wijzigingen beschrijven. Niemand kan immers volkomen objectief een gebeurtenis verslaan. De berichtgeving is altijd gebaseerd op bepaalde aannames, invalshoeken en interpretaties. Hierdoor zal altijd, zij het soms minimaal, de boodschap worden aangepast. Daarbovenop komen nog de verschillende belangen die media-instituten kunnen hebben met het brengen van de boodschap, maar daarover meer in hoofdstuk 4.

Cascading Activation Model
Entman beschrijft in zijn boek de framing in de berichtgeving over de Amerikaanse buitenlandse politiek. Hij introduceert hierin het cascading activation model. Dit model verklaart hoe bepaalde invalshoeken geactiveerd kunnen worden in verschillende lagen van bestuur en media en hoe het publiek uiteindelijk de boodschap ontvangt. Iedere laag in het model zal zijn eigen invalshoeken toepassen op het onderwerp. Zo zullen leden van het Congres hun mening uitspreken over het onderwerp. Deze uitspraken zullen de media-instituten gebruiken bij het construeren van het nieuwsproduct. Vervolgens zal het publiek dit nieuws ontvangen.

Van belang hierbij is de cultural congruence, in het Nederlands culturele congruentie, de mate waarin het perspectief van een bepaalde boodschap wordt gedeeld door de verschillende niveaus. Als bijvoorbeeld het Witte Huis probeert om een onderwerp op een dubieuze manier te framen, dan zal de onderliggende trap van de Other Elites hier niet zomaar mee akkoord gaan. Zij zullen de framing van het Witte Huis gaan deconstrueren om uit te zoeken hoe de vork precies in de steel zit. Ook de media-instituten zullen vervolgens proberen om de onderliggende gedachten van de bovenliggende groepen te ontleden, de oorspronkelijke bedoeling van de framing van het onderwerp kan daardoor zelfs het tegenovergestelde effect hebben. Tenslotte kan ook het publiek de framing van politici en media niet accepteren, ze ontdekken dat de politici en media een bepaalde invalshoek proberen te promoten. Het is dus van belang voor politici om voorzichtig te zijn met het framen van een boodschap, wanneer het frame ongeloofwaardig wordt, zullen onderliggende groepen proberen om deze te deconstrueren. Het gevolg hiervan kan zijn dat de burgers zich juist extra gaan verdiepen in een onderwerp en het niet – zoals de bedoeling was – makkelijk aannemen.

Voorbeeld: Korean Air Lines versus Iran Air
Entman geeft in zijn boek een voorbeeld van het gemak waarmee framing wordt overgenomen door de lagere groepen in het model als een onderwerp cultureel congruent is, dat wil zeggen als de lagere groepen de invalshoek zonder vragen overnemen.

Op 1 september 1983 schoot een Sovjet-straaljager een passagiersvliegtuig van Korean Airlines neer, waarbij 269 mensen omkwamen. Op 3 juli 1988 schoot een schip van de Amerikaanse marine een passagiersvliegtuig van Iran Air neer, daarbij kwamen 290 mensen om. In beide gevallen konden de vliegtuigen niet geïdentificeerd worden en werden ze gezien als vijandige objecten. In beide gevallen volgden de Amerikaanse media nauw de berichtgeving uit het Witte Huis.

Het eerste geval, de aanval van de Sovjets, werd door president Reagan meteen betiteld als moord door het communistische “evil empire”. De aanval veroorzaakte een landelijke verontwaardiging in de Verenigde Staten en een verhardende politiek in de richting van de Sovjetunie. Newsweek bracht haar verslaggeving onder de titel “A Ruthless Ambush in the Sky”, een meedogenloze hinderlaag in de lucht.

Het tweede geval, de aanval van de Amerikanen, werd meteen afgedaan als een tragisch ongeluk, met als oorzaak menselijk of technisch falen. Het Witte Huis probeerde in deze zaak zoveel mogelijk op de achtergrond te blijven. De pers volgde wederom deze lijn en besteedde veel minder aandacht aan deze tragedie. Time kopte “What Went Wrong in the Gulf”, wat er mis ging in de Golf. Bij deze berichtgeving werd zo min mogelijk nadruk gelegd op het handelende karakter (van de Amerikanen) van het ongeluk, waarbij dat duidelijk wel gebeurde bij het ongeluk van de Korean Air-vlucht. (Entman 2004, p. 29-49)

Dit voorbeeld laat zien hoe twee vergelijkbare tragedies compleet verschillend in de media worden behandeld, omdat het Witte Huis de gebeurtenissen vanuit twee verschillende invalshoeken benaderde en omdat de media vervolgens zich geen vragen stelde bij deze invalshoeken.

2.4 Nieuwe media zorgen voor ‘nieuwe’ politiek

Zoals we eerder al hebben geconstateerd in het voor politici van ‘levensbelang’ om goed om te kunnen gaan met de massamedia. Zij zijn namelijk de tussenliggende schakel tussen politiek en burgers. Deze paragraaf geeft een korte samenvattingen van het ontstaan van verschillende massamedia en het gebruik hiervan door de politiek.

Kranten
Johann Gutenberg maakte in 1455 als eerste in Europa gebruik van de boekdrukkunst om de Bijbel in massaproductie te nemen. (Wikipedia 2005a) ‘Massa’ moeten we hier zien als een relatief begrip, gedrukt werk was natuurlijk alleen te lezen door burgers met een goede opleiding. De pers stond tot de democratische revoluties in de negentiende eeuw in bijna heel Europa onder controle van de vorst, hij moest een uitgave eerst goedkeuren voordat het gedrukt mocht worden. Toch worden er ondergronds pamfletten gedrukt en verspreid onder de burgers. Zo werden er duizenden verschillende pamfletten gedrukt in Nederlandse provinciën tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In de loop van de eeuw kregen de pamfletten steeds meer een periodiek karakter en gingen (illegaal) de concurrentie aan met officiële staatskranten. Deze staatskranten waren opgericht om ervoor te zorgen dat het publiek een goed beeld kreeg van de vorst. ‘Goed’ moet hier gelezen worden als zo gunstig mogelijk voor de vorst zelf, een overduidelijke poging tot framing.

Jean-Baptiste Colbert, van 1661 tot 1683 de belangrijkste minister van Lodewijk XIV , was nog meer mediabewust dan Richelieu. De creatie van een gunstig beeld van de koning, zowel voor een buitenlands publiek als in eigen land, met verslagen in de pers, historische verhalen, gedichten, toneelstukken, balletten, opera’s, schilderijen, standbeelden, gravures en medailles, was het werk van een team kunstenaars en schrijvers onder supervisie van Colbert.
(Briggs en Burke 2002, p. 87)

Advertenties en affiches
De verbeteringen in de boekdrukkunst in de negentiende en twintigste eeuw maakten dat er een nieuwe manier ontstond om burgers te bereiken. Door middel van advertenties en aanplakbiljetten probeerden de machthebbers het volk te overtuigen van hun ideologie. Deze manier van reclame maken voor een ideologie wordt ook wel propaganda genoemd. Vooral in de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog maakten alle partijen uitgebreid gebruik van dit medium om de haat voor de tegenstander onder de bevolking aan te wakkeren of om het vertrouwen in het eigen land te vergroten, zoals enkele voorbeelden laten zien.

Radio
Verschillende uitvinders, waaronder Heinrich Hertz en Guglielmo Marconi, hielden zich aan het einde van de negentiende eeuw bezig met radiogolven om een boodschap over een grote afstand te kunnen versturen. De eerste dertig jaar was de radio vooral het domein van het leger, uitvinders, wetenschappers en radioamateurs. (Wikipedia 2005b)

Pas in de jaren twintig konden radio’s goedkoop genoeg gefabriceerd om te kunnen worden verspreid onder een groot publiek. De aanloop naar de Tweede Wereldoorlog en de oorlog zelf brachten de ontwikkelingen van de radio als massamedium in een stroomversnelling.

Adolf Hitler en Joseph Goebbels, zijn minister van propaganda hadden al snel door dat via de radio een massaal publiek kon worden bereikt. Ze lieten een goedkope radio, de Volksempfänger ontwikkelen, zodat iedereen kon luisteren naar de uitzendingen van de Nazi’s. Goebbels verklaarde op de eerste radiotentoonstelling in 1933 dat de radio in de twintigste eeuw de rol zou spelen die de gedrukte pers in de negentiende eeuw had gespeeld. (Briggs en Burke 2002, p. 212) Zowel aan de kant van de Nazi’s als aan de kant van de Geallieerden werd de radio tijdens de oorlog gebruikt voor propaganda; het moreel van de strijders moest hoog gehouden worden.

In de Verenigde Staten gebruikte president Franklin Roosevelt de radio om de gedrukte pers te omzeilen die massaal tegen zijn politiek waren. Bekend zijn de fireside chats waarin Roosevelt op een persoonlijke manier contact maakte met zijn luisteraars.

Historians agree that Franklin Roosevelt’s use of radio in his Fireside Chats made him, though President, a living human, an acquaintance, to millions in America. Roosevelt used the medium more as it should be used than other public men had dared to. He was personal, friendly, even a bit casual. (…) During a 1933 broadcast he interrupted his talk to ask for a glass of water, paused while it was brought, took a swallow audible in living rooms across the country, and then told the listeners: “My friends, it’s very hot here in Washington tonight.” His simple gesture drew thousands of sympathetic letters.
(Stott 1999, p. 238)

De verkiezingen van 1936 won Roosevelt glansrijk, ondanks de grootste oppositie van de pers ooit, uit peilingen bleek dat tachtig procent van de pers de president niet zag zitten.

Figuur 2-3 (linksboven): Amerikaans affiche uit de Tweede Wereldoorlog
Figuur 2-4 (rechtboven): Duits affiche uit de Tweede Wereldoorlog
Figuur 2-5 (rechts): Duits affiche over de Volksempfänger
Figuur 2-6 (linksonder): President Roosevelt houdt een fireside chat.
Figuur 2-7 (rechtsonder): Kennedy (l) en Nixon in debat

Film
Ook aan het eind van negentiende eeuw worden er in verschillende landen ongeveer tegelijkertijd een manier gevonden om bewegende beelden op te nemen en later weer te projecteren. In Frankrijk zijn dat de gebroers Lumière in Lyon, in de Verenigde Staten is dat Thomas Edison. In eerste instantie worden er op kermissen demonstraties gegeven van korte stukjes film, in de jaren twintig worden er in hoog tempo bioscopen gebouwd waarin het publiek kan kijken naar langere films of naar nieuwsuitzendingen, vanaf de jaren dertig ook met geluid.

Dankzij het visuele aspect van het medium kan de film makkelijker begrepen worden door het publiek dan het geschreven of gesproken woord. Hierdoor is het medium erg geschikt voor propaganda. (Hijstek 1987) Vooral de dictatoriale regimes in Duitsland en de Sovjetunie gaan in de eerste helft van de twintigste eeuw films maken die duidelijk het doel hebben om haar bevolking te beïnvloeden. Bekende voorbeelden zijn Bronenosets Potyomkin (Pantserkruiser Potemkin), een Sovjetfilm van Sergei Eisenstein uit 1925 en Triumph des Willens (1943) van Leni Riefenstahl.

Televisie
Hoewel de televisie al voor de Tweede Wereldoorlog was uitgevonden en de Nazi’s op kleine schaal televisie gebruikten om propaganda uit te zenden, kwam pas na de oorlog de televisie voor gewone burgers binnen bereik. Eerst nog voor enkele early adopters in de buurt, waar vervolgens iedereen kwam kijken bij belangrijke gebeurtenissen, later voor elk gezin.

Dat televisie compleet anders werkte, ondervond Richard Nixon in levende lijve. In 1960 organiseerde CBS in de aanloop naar de presidentsverkiezingen een debat tussen de twee kandidaten: John F. Kennedy en Richard Nixon. Het debat werd zowel op de radio als op televisie uitgezonden.2 De media waren het na afloop van het debat met elkaar eens dat Nixon op de radio een goede indruk had gemaakt, maar dat hij op televisie er vermoeid uitzag (waarschijnlijk door een operatie enkele dagen ervoor) en dat Kennedy met zijn charismatische verschijning duidelijk een veel betere indruk maakte. Uiteindelijk won Kennedy de verkiezingen nipt. (BBC 2005)

Het gaat te ver om te zeggen dat Kennedy de verkiezingen heeft gewonnen door dit debat, maar zonder televisie had een groot deel van de bevolking nooit zijn charismatische verschijning gezien. Daarbij is televisie net als film relatief makkelijker te volgen en daarom ook makkelijker op te nemen.

Broadcast
Als we nu samenvattend kijken naar de traditionele massamedia zoals die hierboven besproken zijn, dan kunnen we meteen concluderen dat deze media in alle vormen een top-down hiërarchie hebben en dat ze werken volgens het broadcast model. Top-down wil zeggen dat beslissingen over het medium worden genomen vanuit de top van de hiërarchie van de overheid of de mediaorganisatie. Het publiek heeft niks te zeggen over het aanbod. Broadcast betekent in de letterlijke zin van het woord ‘breed zaaien’. De informatie wordt massaal gereproduceerd en wijd verspreid aan iedereen in het publiek.

Tenslotte hebben we gezien dat elk medium zijn eigen manier van het voeren van politiek met zich meebrengt. De politici die als eerste doorhebben hoe dat in zijn werk gaat hebben vaak een enorme voorsprong op hun ‘concurrentie’.

World Wide Web
Een van de belangrijkste onderdelen van het internet, het wereldwijde netwerk tussen computers, is het world wide web. Het web is in 1990 ontwikkeld door Tim Berners-Lee van CERN, het Europees instituut voor nucleair onderzoek.3 Het world wide web is het netwerk van naar elkaar verwijzende internetpagina’s met naar elkaar verwijzende hyperlinks. Een andere applicatie die veel wordt gebruik op het internet is e-mail, het versturen van berichten van computer naar computer. Tegenwoordig wordt in plaats van de term ‘web’ ook veel de meeromvattende tem internet gebruikt. Het CERN gaf in 1993 alle protocollen rondom het web vrij, iedereen kan ze zonder kosten of restricties gebruiken. (Wikipedia 2005c)

Opvallend aan het web is de niet-hiërarchische structuur, iedere computer kan dienen als een server die html-pagina’s aanbiedt. Hierdoor ontstaan belangrijke verschillen met de traditionele massamedia zoals die hierboven zijn besproken. Deze zullen in het derde hoofdstuk verder worden behandeld.

Op het gebied van nieuwe media in het algemeen en het internet in het bijzonder is het nog zoeken naar de beste manier om politiek te bedrijven. Howard Dean heeft tijdens zijn campagne om gekozen te worden tot de Democratische presidentskandidaat op grote schaal gebruik gemaakt van het internet. Hierbij speelde ook zijn eigen weblog en dat van sympathisanten een grote rol. Om de mogelijke rol van weblogs in de politiek te bestuderen, is het van belang dat het onderwerp duidelijk beschreven wordt. Dat gebeurt in het volgende hoofdstuk.

Literatuur in dit hoofdstuk

  • BBC. “1960: Kennedy and Nixon Clash in Tv Debate.” On This Day, 26 September. http://news.bbc.co.uk/onthisday/hi/dates/stories/september/26/newsid_3104000/3104393.stm (29 april 2005)
  • Briggs, Asa en Peter Burke. A Social History of the Media: From Gutenberg to the Internet. 2002. Sociale Geschiedenis van de Media. Trans. Hans Keizer. Amsterdam: Uitgeverij SUN, 2003.
  • Castells, Manuel. The Power of Identity. 1997. The Information Age: Economy, Society and Culture. Second ed. Malden, MA, USA: Blackwell Publishing, 2004.
  • Entman, Robert. Projections of Power. Chicago: The University of Chicago Press, 2004.
  • Habermas, Jürgen. Strukturwandel der Öffentlichkeit. 1962. The Structural Transformation of the Public Sphere. Cambridge, USA: The MIT Press, 1989.
  • Habermas, Jürgen. “Öffentlichkeit.” Kultur und Kritik. 1973. “The Public Sphere.” Media Studies: A Reader. Ed. Paul Marris en Sue Thornham. Edinburgh: Edinburgh University Press, 1999.
  • Hijstek, Bernadette. Leni Riefenstahl, een carrière 1987. http://www.hijstek.nl/hijstek/archief/riefenstahl.html (28 april 2005)
  • Stott, William. “Documenting Media.” Communication in History. Ed. David Crowley en Paul Heyer. Third ed. New York: Longman, 1999.
  • Wikipedia. “Johann Gutenberg.” 2005a. http://en.wikipedia.org/wiki/Gutenberg (28 april 2005)
  • Wikipedia. “Radio.” 2005b. http://en.wikipedia.org/wiki/Radio (28 april 2005)
  • Wikipedia. “World Wide Web.” 2005c. http://en.wikipedia.org/wiki/ World_Wide_Web (28 april 2005)

Voetnoten

  1. Dit werk is pas in 1989 in het Engels uitgegeven onder de naam The Structural Transformation of the Public Sphere.
  2. De debatten tussen Nixon en Kennedy zijn te beluisteren en na te lezen op de site van de John F. Kennedy Library (http://www.jfklibrary.org), het eerste debat is te vinden op http://www.jfklibrary.org/60-1st.htm.
  3. De eerste internetpagina is gearchiveerd op http://www.w3.org/History/19921103-hypertext/hypertext/WWW/Link.html door het World Wide Web Consortium (http://www.w3.org), de organisatie die de standaarden van het internet beheert.
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *