Hoofdstuk 2 – Mediacracy, versie 0.2

Na een scriptiebespreking met Marianne heb ik een revisie gemaakt van het tweede hoofdstuk. Habermas is eruit gevallen, die komt later nog aan bod. De voorbeeldingen van politiek in traditionele media zijn beter ingeleid en enkele figuren zijn aangepast.
Het hoofdstuk is hieronder te lezen, of te downloaden als PDF-bestand (856kB). Zoals gebruikelijk is al het commentaar welkom onder het bericht, of via mijn mailformulier.

Hoofdstuk 2 – Mediacracy

Jeroen Steeman (http://www.minitrue.nl)
Communicatie- en informatiewetenschappen/Nieuwe media en digitale cultuur – UniversiteitUtrecht
Versie 0.2: donderdag 19 mei 2005
Nuttige bijdragers worden bedankt, maar verder kunnen aan deze reacties geenrechten worden ontleend.

2.1 Politici, burgers en media

De werkzaamheden van politici vallen te onderscheiden in twee taken. Ten eerste is een politicus een gekozen of aangewezen volksvertegenwoordiger die als taak heeft om het land, de gemeente of een ander gebied te besturen. Ten tweede stellen de meeste politici zich tot doel om opnieuw gekozen te worden, of in ieder geval om voor hun eigen partij bij volgende verkiezingen meer kiezers te trekken.

Hoe besturen we het land?
Een gekozen of benoemde volksvertegenwoordiger in de persoon van een burgemeester of Tweede Kamerlid, houdt zich als politiek bestuurder bezig met het nemen van beslissingen over het te volgen beleid. Barber beschrijft in zijn boek Strong Democracy (1984) het besturen als een noodzaak voor publieke actie, en dus voor een redelijke publieke keuze, in een conflict zonder private of onafhankelijke basis voor het vormen van een oordeel . Hij buigt deze definitie meteen om naar een vraag: “Wat moeten we doen wanneer er iets gedaan moet worden dat ons allemaal aangaat, we willen graag redelijk zijn, maar we zijn het niet eens over de manier waarop en we hebben geen onafhankelijke basis voor het maken van deze keuze?” (Barber 1984, p. 120)

In feite zijn politici bezig met het beantwoorden van deze vraag in de vorm van besturen. Van politiek is pas sprake als er een probleem op tafel ligt waarover verschillende politici niet op een gezamenlijke onafhankelijke, bijvoorbeeld wetenschappelijke, basis een beslissing nemen. Het is immers niet nodig om te debatteren als iedereen het met elkaar eens is wat de beste oplossing is voor het probleem. Dit beleid kan dan ook heel goed vorm gegeven worden door ambtenaren, zonder dat er politiek aan te pas komt.

Soms zal het lukken om in een debat een gezamenlijk standpunt te bereiken om tot beleid te komen om het probleem op te lossen. In veel gevallen zullen er echter coalities gevormd worden die een meerderheid in een orgaan representeren, deze coalities zullen uiteindelijk besluiten over het te volgen beleid.

Ideologie
Bij het beantwoorden van de vraag zal een politicus zich baseren op zijn eigen ideologie en op die van de partij die hij vertegenwoordigt. Zo is bijvoorbeeld het uitgangspunt van een rechtse partij dat de overheid zich zo min mogelijk moet bemoeien met de burger. Een linkse partij hangt juist het standpunt aan van een actieve overheid, ze moet haar burgers zoveel mogelijk beschermen. Elke partij probeert om in het beleid zoveel mogelijk haar eigen ideologiete volgen, die is immers in de meeste gevallen de grondslag van de partij.

Concreet houdt het vormen van een visie over het te kiezen beleid en het controleren hiervan ten opzichte van de ideologie in dat er veel vergaderd moet worden. Naast vergaderingen in het parlement en de gemeenteraad vinden er ook bijeenkomsten plaats om de ideologische koers van de bestuurlijke maatregelen te bespreken. In deze overleggen kunnen de leden van een fractie overleggen of het beleid de koers van de partij volgt of welke alternatieven beter in de visie van de partij passen. Wanneer een fractie onderdeel uitmaakt van een regerings- of collegecoalitie is dit overleg extra van belang, omdat bij enkele afwijkende stemmen de steun voor de regering of het college onvoldoende kan zijn en er zo een crisis kan ontstaan. Ook de regering of het college moet natuurlijk regelmatig overleggen om erop toe te zien dat het gevoerde beleid wordt ondersteund door de coalitiepartijen.

Daarnaast moet een politicus ook contact houden met andere niveaus binnen de organisatie binnen de partij. Politici moeten zich onder andere voor het bestuur van de partij verantwoorden, ze werken immers onder de naam van de partij. Tenslotte moet een politicus zijn handelen ook kunnen rijmen met zijn persoonlijke opvattingen. Hij is op persoonlijke titel gekozen of benoemd voor een functie.

Actieve en passieve burgers
Het beleid dat politici maken heeft altijd indirect of direct invloed op de burgers, zij zijn immers de inwoners van het land of de gemeente die bestuurd wordt. Burgers moeten de belasting betalen om ervoor te zorgen dat de overheid haar taken kan uitvoeren. In gevallen heeft het ontwikkelde beleid ook directe gevolgen voor burgers. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van de Betuwelijn waarbij mensen uit hun woning moesten omdat die in de weg stond van de spoorlijn. Deze burgers worden beschermd voor de mogelijke onredelijkheid van de macht vande meerderheid (de gekozen politici) door inspraakmogelijkheden en beroepsprocedures.

Op deze manier is het proces van besturen door het nemen van besluiten en het opzetten van beleid is niet puur alleen een aangelegenheid van politici. Actieve burgers kunnen in directe gevolgen en vaak ook indirecte gevolgen van beleid bezwaar aantekenen bij het rijk, de provincie of de gemeente. De overheid is in veel gevallen verplicht om deze zaken te behandelen. Daarnaast kunnen burgers rechtszaken aanspannen tegen de overheid wanneer ze vinden dat het beleid ingaat tegen eerder gemaakte wetten.

Vaak vraagt de overheid ook zelf actief om inspraak. Op locaal niveau worden inspraakavonden georganiseerd in gemeente- of buurthuizen waarin de gemeente vraagt om feedback op hun plannen. Op landelijk niveau heeft de overheid vaak contact met maatschappelijke organisaties opgebouwd uit actieve burgers om te peilen hoe de bevolking staat tegenover het beleid dat wordt ontwikkeld. Deze organisaties worden het maatschappelijk middenveld genoemd, alsof ze een extra laag vertegenwoordigen tussen burgers en overheid.

In gevallen waarin de overheid niet direct wil luisteren naar haar burgers kunnen maatschappelijke organisaties en individuele burgers grijpen naar een ander middel: acties. Door middel van petities, protesten en demonstraties kunnen georganiseerde actieve burgers laten zien dat ze het niet eens zijn met (voorgenomen) beleid en dat ze een gedeelte van de bevolking achter zich hebben staan.

Naast de maatschappelijk actieve burgers staat een veel grotere groep van passieve burgers. Dit zijn burgers die niet geneigd zijn inspraak uit te oefenen of om actie te voeren. Dat kan omdat het beleid hen niet direct raakt of omdat ze simpelweg niet op de hoogte zijn van de beleidsplannen van politici.

Verkiezingen
Naast het besturen en het toetsen van het beleid aan de ideologie, hebben politici nog een andere taak. Ze willen graag voor de volgende termijn herkozen worden, of er voor zorgen dat hun partij meer stemmen haalt dan bij de vorige verkiezingen. Om dat te bereiken moeten politici en partijen contact maken met de actieve en passieve burgers, dat zijn immers de potentiële kiezers. Een politicus kan echter onmogelijk alle burgers persoonlijk bereiken en tegelijkertijd op de hoogte zijn van al hun voorkeuren. Hiervoor hebben politici de hulp nodig van massamedia. Via kranten, radio en televisie zijn politici in staat om in één optreden enorme aantallen burgers te bereiken met hun boodschap en kunnen ze zo proberen om deze burgers overhalen om op hen te stemmen.

Wanneer een politicus deze media gebruikt om zijn boodschap te verspreiden kan hij verschillende doelen hebben. Ten eerste kan een politicus de media benaderen om zijn eigen beleid uit te leggen en te verdedigen tegenover de actieve burgers. Deze burgers raken op de hoogte van de beleidsplannen van politici en kunnen als ze het daarmee niet eens zijn individueel of georganiseerd protest aantekenen door middel van inspraak.

Ten tweede kan een politicus de berichtgeving van de media proberen te gebruiken om zijn ideologie te verspreiden. Dit kan zowel de ideologie zijn van de partij waartoe hij behoort, maar dit kan ook zijn persoonlijke, genuanceerde ideologie zijn.

Net zoals ik heb beschreven bij het vormen van beleid, lopen hier ook de twee zaken van ideologie en beleid door elkaar. Bij het verdedigen van het beleid zal een politicus dat verantwoorden aan de hand van zijn ideologie en bij een discussie over ideologie zal hij voorbeelden van beleidskeuzes bespreken. Voorbeelden van media-uitingen die geschikt zijn voor deze twee doelen zijn een groot persoonlijk interview in het Algemeen Dagblad of een gesprek over een specifieke beleidszaak in Nova.

Het derde doel dat een politicus kan hebben bij het gebruiken van media is puur het vergroten van de eigen naamsbekendheid of die van de partij. Hierbij komen zaken als beleid of ideologie amper aan de orde. Het is van belang dat de burger het gezicht of de naam herkent en zich aan de hand daarvan gaat verdiepen in andere verschijningen in de media van de politicus of partij. Denk hierbij aan het meedoen aan een quiz als Tros Triviant of aan een spelshow als het soms tenenkrommende Sterrenslag, waarin politici het op een stormbaan opnemen tegen acteurs en artiesten.

Zelfs activiteiten die op het oog niet direct veel mensen bereiken, kunnen via een omweg bedoeld zijn om te worden besproken in de massamedia. Bij een toespraak in het land is de reikwijdte veel groter dan alleen het aantal toehoorders, omdat bijvoorbeeld een regionale krant verslag doet van de toespraak, of omdat het simpelweg mooie beelden oplevert voor een item in het Journaal.

De politiek kan de burgers alleen indirect bereiken via de traditionele massamedia van kranten, radio en televisie. Burgers kunnen, buiten de rechtstreekse media om, maar in beperkte mate via de media de politiek bereiken. De publieke omroep is gedeeltelijk nog gebaseerd op de ledenraden van de individuele op ideologie gebaseerde omroepen, maar in de praktijk worden beslissingen genomen door de voorzitter van een omroep. Sommige programma’s bieden luisteraars en kijkers de mogelijkheid om in de uitzending te reageren. Een voorbeeld hiervan is het NCRV-progamma Stand.nl, dat reacties bespreekt die binnenkomen via telefoon, sms en e-mail. De meeste kranten publiceren nog regelmatig een sectie met ingezonden brieven, al bepaald een redactie altijd nog welke brieven geplaatst worden. In hoofdstuk vijf zal ik nader ingaan op de mogelijkheden van burgers om deel te nemen aan het publieke politieke debat.

2.2 Framing en spinning

Media zijn onmisbaar voor politici
Het figuur onderaan de vorige pagina geef schematisch de rol weer die de media spelen in het politieke veld. We kunnen zien dat de media een centrale plek innemen in dat veld en dat alle communicatie naar burgers van politici via deze traditionele massamedia moet verlopen.

Manuel Castells werkt in zijn boek The Power of Identity (2004) de relatie tussen politiek, media en burgers verder uit. Zonder gebruik te maken van massamedia kan een politicus nooit enige kans maken bij verkiezingen, de kiezers hebben dan nog nooit van hem gehoord. Castells legt uit dat de politici hierdoor compleet afhankelijk zijn van de massamedia. Dit wil niet zeggen dat de media de macht hebben om te kunnen bepalen wie er wordt gekozen en wie niet, daarvoor zijn de media zelf te complex in hun samenstelling, omdat het verzameling is van verschillende actoren, partijen en belangen.

Een voorbeeld van een politiek succes ondanks tegenwerking van de media is de verkiezing van de linke Braziliaanse presidentskandidaat Lula in 2002. Hij won de verkiezingen met een overweldigende meerderheid, ondanks de steun voor zijn tegenstander in de media. Castells geeft wel toe dat er ook voorbeelden zijn die laten zien dat media wel degelijk effect hebben op de opkomst en ondersteuning van politici. Zo noemt hij opvallend genoeg Pim Fortuyn als een voorbeeld, terwijl onder veel van zijn aanhangers de opvatting leeft dat de traditionele massamedia mede verantwoordelijk is voor de moord op Fortuyn. (Castells 2004, p. 374)

Framing
Door de media-afhankelijkheid van de politici moeten de politici zich aanpassen aan de manier waarop ze worden weergegeven in de media om daarop weer zo goedmogelijk bij het publiek over te komen.

Thus, to act on people’s minds, and wills, conflicting political options, embodies in parties and candidates, use the media as their fundamental vehicle of communication, influence and persuasion. So doing, as long as the media are relatively autonomous from political power, political actors have to abide by the rules, technology, and interests of the media. The media frame politics.
(Castells 2004, p.371)

De organisatiestructuren van de traditionele massamedia zorgen ervoor dat de boodschap van de politiek vervormt voordat het bij het publiek aankomt. Niemand kan immers volkomen objectief een gebeurtenis verslaan. De berichtgeving is altijd gebaseerd op bepaalde aannames, invalshoeken en interpretaties, gecombineerd met redactionele regels en mediaspecifieke techniek. Dit noemen we framing.

Framing vormt zich doordat er bij het brengen van een boodschap bewust of onbewust er vanuit een bepaalde invalshoek wordt geredeneerd. Elke journalist of redacteur heeft een achtergrond met daarin zijn eigen mening en die zal altijd ergens van invloed zijn op zijn keuzes. Hoe graag media ook willen doen voorkomen dat ze neutraal en onbevooroordeeld het nieuws brengen.

Mediacracy
Verderop in zijn boek laat Castells de term mediacracy (mediacratie) vallen om de belangrijke relatie tussen media en politiek te benoemen, maar helaas verzuimt hij om deze term verder uit te werken. Hij stelt wel dat mediacracy niet tegengesteld gezien moet worden aan democratie, maar als een invulling van de democratie die via de media-instituten loopt. (Castells 2004, p. 375) Op basis van deze gedachtegang van Castells wil ik de term mediacracy gebruiken om de huidige staat van democratie waarin traditionele massamedia een grote rol in spelen, te beschrijven. De traditionele massamedia zijn te divers om concrete macht uit te oefenen, maar ze hebben bewust of onbewustdoor framing wel degelijk invloed op hun publiek.

Spinning
Politici hebben door dat ze zich moeten houden aan de regels van de massamedia om hun boodschap bij de burgers te krijgen. Ze willen dat de media over hen berichten vanuit de invalshoek die de politicus in het beste daglicht plaatst. Hiervoor zullen ook politici hun boodschap brengen vanuit een bepaalde invalshoek.Deze manier van framing wordt ook wel packaging politics of spinning genoemd.

Robert Entman bespreekt in zijn boek Projections of Power (2004) de pogingen van de Amerikaanse president en zijn staf in het Witte Huis om de berichtgeving over de buitenlandse politiek zo te ‘verdraaien’ dat het beleid van het Witte Huis zo positief mogelijk in het nieuws komt. Entman beschrijft in zijn inleidende hoofdstuk helder de definitie van spinning, al noemt hij het zelf framing.

Selecting and highlighting some facets of events or issues, and making connections among them so as to promote a particular interpretation, evaluation, and/or solution.
(Entman 2004, p. 5)

De actoren in deze definitie kunnen zowel politici als media zijn, wanneer we als handelende persoon de politici invullen spreken we over spinning. In het geval van de media spreken we van framing. Het verschil tussen spinning en framing is dat framing niet perse opzettelijk gebeurt en dat spinning meestal wel opzettelijk plaatsvindt, met ook echt als doel om de berichtgeving te beïnvloeden. Daarom noem ik de definitie van Entman geen framing maar spinning omdat hij met de woorden “so as to” aangeeft dat het opzettelijk gebeurt.

Voorbeeld: Korean Air Lines versus Iran Air
Entman geeft in het tweede hoofdstuk van zijn boek een voorbeeld van het gemak waarmee spinning door de traditionele media kan worden overgenomen. Hij vertelt van twee ongelukken waarbij legereenheden van verschillende landen passagiersvliegtuigenneerschoten.

Op 1 september 1983 schoot een Sovjet-straaljager een passagiersvliegtuig van Korean Airlines neer, waarbij 269 mensen omkwamen. Op 3 juli 1988 schoot een schip van de Amerikaanse marine een passagiersvliegtuig van Iran Air neer, daarbij kwamen 290 mensen om. In beide gevallen konden de vliegtuigen niet geïdentificeerd worden op de radar en werden ze gezien als vijandige objecten. In beide gevallen volgden de Amerikaanse media nauw de berichtgeving uit het Witte Huis.

Het eerste geval, de aanval van de Sovjets, werd door president Reagan meteen betiteld als moord door het communistische “evil empire”. De aanval veroorzaakte een landelijke verontwaardiging in de Verenigde Staten en een verhardende politiek in de richting van de Sovjetunie. Newsweek bracht haar verslaggeving onder de titel “A Ruthless Ambush in the Sky”, een meedogenloze hinderlaag in de lucht.

Het tweede geval, de aanval van de Amerikanen, werd meteen afgedaan als een tragisch ongeluk, met als oorzaak menselijk of technisch falen. Het Witte Huis probeerde in deze zaak zoveel mogelijk op de achtergrond te blijven. De pers volgde wederom deze lijn en besteedde veel minder aandacht aan deze tragedie. Time kopte “What Went Wrong in the Gulf”, wat er mis ging in de Golf. Bij deze berichtgeving werd zo min mogelijk nadruk gelegd op het handelende karakter (van de Amerikanen) van het ongeluk, waarbij dat duidelijk wel gebeurde bij het ongeluk van de Korean Air-vlucht. (Entman 2004, p. 29-49)

Dit voorbeeld laat zien hoe twee vergelijkbare tragedies compleet verschillend in de Amerikaanse media worden behandeld, omdat het Witte Huis de gebeurtenissen vanuit twee verschillende invalshoeken benaderde en omdat de media deze invalshoeken overnam, zonder kritische vragen te stellen bij de verklaringen van het Witte Huis.

Cascading Activation Model
In Projections of Power verklaart Entman dit overnemen van een gespinde boodschap aan de hand van het cascading network activiation model. Dit model beschrijft hoe bepaalde invalshoeken geactiveerd kunnen worden in de verschillende stappen van zender naar ontvanger. Een aagepaste versie van dit model staat onderaan deze pagina. Een boodschap wordt verstuurd vanuit een politicus, omdat hij reageert op een actueel onderwerp. Hij zal daarin proberen om het onderwerp te bespreken in de invalshoek die hem het beste uitkomt. Vervolgens zullen de media deze boodschap opnemen in hun berichtgeving. Daarbij voegen ze de reacties van andere politici en experts op het onderwerp. Daarna sturen zede boodschap in hun eigen door naar de burgers.

Van belang hierbij is de cultural congruence, in het Nederlands culturele congruentie, de mate waarin het perspectief van de zender van een bepaalde boodschap wordt gedeeld door de verschillende niveaus. In het geval van de voorbeelden van Korean Air Lines en Iran Air namen de onderliggende lagen moeiteloos de invalshoek van het Witte Huis over. In andere gevallen kan het echter zo zijn dat de invalshoek van de boodschap niet zomaar wordt overgenomen door de onderliggende lagen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in de aanloop naar de oorlog in Irak in 2003.

De Amerikaanse president George W. Bush probeerde de burgers ervan te overtuigen dat Irak moest worden aangevallen omdat het banden zou hebben met de terroristen van Al-Qaida. Bush probeerde hiermee een link te leggen tussen het regime van Saddam Hoessein en de aanslagen van 11 september 2001. Onderliggende lagen accepteerden echter dit verband tussen Irak en terrorisme niet. Het gevolg hiervan was dat het onderwerp niet zomaar werd overgenomen door de onderliggende lagen, maar dat het juist uitgebreid werd besproken. Daarbij werd ook aandacht besteed aan de opinies van andere politici en werden spraken experts en analisten uitgebreid over het onderwerp. Hierbij kwamen ook de (verborgen) doelen aan bod die Bush voor ogen had met deze boodschap. De poging tot spinning van Bush had het tegenovergestelde effect, het lokteeen internationaal debat uit over de noodzaak om in Irak een oorlog te beginnen.

2.4 Nieuwe media zorgen voor nieuwe politiek

Zoals we eerder al hebben geconstateerd in het voor politici van ‘levensbelang’ om goed om te kunnen gaan met de massamedia. Zij zijn namelijk de tussenliggende schakel tussen politiek en burgers. Deze paragraaf geeft een korte samenvattingen van het ontstaan van verschillende massamedia en het gebruik hiervan door de politiek.

Kranten
Johann Gutenberg maakte in de vijftiende eeuw als eerste in Europa gebruik van de boekdrukkunst om de Bijbel in massaproductie te nemen. ‘Massa’ moeten we hier zien als een relatief begrip, gedrukt werk was natuurlijk alleen te lezen door burgers met een goede opleiding. De pers stond tot de democratische revoluties in de negentiende eeuw in bijna heel Europa onder controle van de vorst, hij moest een uitgave eerst goedkeuren voordat het gedrukt mocht worden. Toch worden er ondergronds pamfletten over politieke onderwerpen gedrukt en verspreid onder de burgers. Zo werden er duizenden verschillende pamfletten gedrukt in Nederlandse provinciën tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In de loop van de zestiende en zeventiende eeuw kregen de pamfletten steeds meer een periodiek karakter en gingen – meestal illegaal – de concurrentie aan met officiële staatskranten. Deze staatskranten waren opgericht om ervoor te zorgen dat het publiek een goed beeld kreeg van de vorst. ‘Goed’ moet hier gelezen worden als zo gunstig mogelijk voor de vorst zelf, een overduidelijke poging tot framing. Zo richtte Kardinaal Richelieu, die in Frankrijk samen met Lodewijk XIII regeerde van 1630 tot 1643 de staatskrant Gazette op. Asa Briggs en Peter Burke schrijven hierover in A Social History of theMedia: From Gutenberg to the Internet (2002).

Jean-Baptiste Colbert, van 1661 tot 1683 de belangrijkste minister van Lodewijk XIV , was nog meer mediabewust dan Richelieu. De creatie van een gunstig beeld van de koning, zowel voor een buitenlands publiek als in eigen land, met verslagen in de pers, historische verhalen, gedichten, toneelstukken, balletten, opera’s, schilderijen, standbeelden, gravures en medailles, was het werk van een team kunstenaars en schrijvers onder supervisie van Colbert.
(Briggs en Burke 2002, p. 87)

De kranten waren de aanjagers van de democratische revoluties in de achttiende en negentiende eeuw. Iedere politieke stroming bracht voor de revolutie van 1789 in Parijs zijn eigen krant uit. (Habermas 163, p. 183) De artikelen in deze kranten vormden de basis voor politieke discussies die plaatsvonden in koffiehuizen en die op hun beurt de grondslag vormden voor de volksopstanden.

Advertenties en affiches
De verbeteringen in de boekdrukkunst in de negentiende en twintigste eeuw maakten dat er een nieuwe manier ontstond om burgers te bereiken. Door middel van advertenties en aanplakbiljetten probeerden de machthebbers het volk te overtuigen van hun ideologie. Deze manier van reclame maken voor een ideologie wordt ook wel propaganda genoemd. Aan het begin van de twintigste eeuw betekende propaganda hetzelfde als reclame, maar langzaam kreeg het woord in het Nederlandsen in andere talen een negatieve bijklank.

Vooral in de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog maakten alle partijen uitgebreid gebruik van dit medium om de haat voor de tegenstander onder de bevolking aan te wakkeren of om het vertrouwen in het eigen land te vergroten, zoals enkele voorbeelden laten zien.

Figuur 2-3 (linksboven): Amerikaans affiche uit de Tweede Wereldoorlog
Figuur 2-4 (rechtboven): Duits affiche uit de Tweede Wereldoorlog
Figuur 2-5 (rechts): Duits affiche over de Volksempfänger
Figuur 2-6 (linksonder): President Roosevelt houdt een fireside chat.
Figuur 2-7 (rechtsonder): Kennedy (l) en Nixon in debat

Radio
Verschillende uitvinders, waaronder Heinrich Hertz en Guglielmo Marconi, hielden zich aan het einde van de negentiende eeuw bezig met radiogolven om een boodschap over een grote afstand te kunnen versturen. De eerste dertig jaar was de radiovooral het domein van het leger, uitvinders, wetenschappers en radioamateurs.

Pas in de jaren twintig konden radio’s goedkoop genoeg gefabriceerd om te kunnen worden verspreid onder een groot publiek. De aanloop naar de Tweede Wereldoorlog en de oorlog zelf brachten de ontwikkelingen van de radio als massamedium in een stroomversnelling.

Adolf Hitler en Joseph Goebbels, zijn minister van propaganda hadden al snel door dat via de radio een massaal publiek kon worden bereikt. Ze lieten een goedkope radio, de Volksempfänger ontwikkelen, zodat iedereen kon luisteren naar de uitzendingen van de nazi’s. Goebbels verklaarde op de eerste radiotentoonstelling in 1933 dat de radio in de twintigste eeuw de rol zou spelen die de gedrukte pers in de negentiende eeuw had gespeeld. (Briggs en Burke 2002, p. 212) Zowel aan de kant van de nazi’s als aan de kant van de Geallieerden werd de radio tijdens de oorlog gebruikt voor propaganda; het moreel van de strijders moest hoog gehouden worden.

In de Verenigde Staten gebruikte president Franklin Roosevelt de radio om de gedrukte pers te omzeilen die massaal tegen zijn politiek waren. Bekend zijn de fireside chats waarin Roosevelt op een persoonlijke manier contact maakte met zijn luisteraars. De cultuurhistoricus William Stott bespreekt dit in zijn artikel Documenting Media (1999).

Historians agree that Franklin Roosevelt’s use of radio in his Fireside Chats made him, though President, a living human, an acquaintance, to millions in America. Roosevelt used the medium more as it should be used than other public men had dared to. He was personal, friendly, even a bit casual. (…) During a 1933 broadcast he interrupted his talk to ask for a glass of water, paused while it was brought, took a swallow audible in living rooms across the country, and then told the listeners: “My friends, it’s very hot here in Washington tonight.” His simple gesture drew thousands of sympathetic letters.
(Stott 1999, p. 238)

De verkiezingen van 1936 won Roosevelt glansrijk, ondanks de grootste oppositie van de kranten ooit, uit peilingen bleek dat tachtig procent van de Amerikaanse kranten tegen zijn herverkiezing was. Roosevelt kon in zijn radiotoespraken de framing van de Amerikaanse boodschap omzeilen en rechtstreeks de burgers bereiken.

Film
Ook aan het eind van negentiende eeuw worden er in verschillende landen ongeveer tegelijkertijd een manier gevonden om bewegende beelden op te nemen en later weer te projecteren. In Frankrijk zijn dat de gebroers Lumière in Lyon, in de Verenigde Staten is dat Thomas Edison. In eerste instantie worden er op kermissen demonstraties gegeven van korte stukjes film, in de jaren twintig worden er in hoog tempo bioscopen gebouwd waarin het publiek kan kijken naar langere films of naar nieuwsuitzendingen, vanaf de jaren dertig ook met geluid.

Vooral de dictatoriale regimes in Duitsland en de Sovjetunie gaan in de eerste helft van de twintigste eeuw films maken die duidelijk het doel hebben om haar bevolking te beïnvloeden. Bekende voorbeelden zijn Bronenosets Potyomkin (Pantserkruiser Potemkin), een Sovjetfilm van Sergei Eisenstein uit 1925 en Triumph des Willens (1935) van Leni Riefenstahl.

Pantserkruiser Potemkin vertelt over de heroïsche poging van matrozen van de Potemkin in 1905 om in de thuishaven Odessa de socialistische revolutie te ontketenen, omdat ze op het schip moeten leven onder erbarmelijke omstandigheden. De bevolking ondersteunt de matrozen, maar de opstand wordt bloedig neergeslagen door kozakken.

Triumph des Willens geeft een verheerlijkt beeld van de NSDAP op een partijdag in Nürnberg in 1934. De film toont de indrukwekkende en opruiende toespraken van Adolf Hitler en laat zien hoe duizenden aanhangers strak in het gelid voorbij marcheren om te tonen hoe sterk de partij is.

Televisie
Hoewel de televisie al voor de Tweede Wereldoorlog was uitgevonden en de nazi’s op kleine schaal televisie gebruikten om propaganda uit te zenden, kwam pas na de oorlog de televisie voor gewone burgers binnen bereik. Eerst nog voor enkele early adopters in de buurt, waar vervolgens iedereen kwam kijken bijbelangrijke gebeurtenissen, later voor elk gezin.

Dat televisie compleet anders werkte dan bijvoorbeeld radio, ondervond Richard Nixon in levende lijve. In 1960 organiseerde CBS in de aanloop naar de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten een debat tussen de twee kandidaten: John F. Kennedy en Richard Nixon. Het debat werd zowel op de radio als op televisie uitgezonden. 1 Na afloop van het debat bleek dat de televisiekijkers de voorkeur gaven aan de koele, knappe Kennedy, tegenover de duidelijk zwetende Nixon. De radioluisteraars gaven juist de voorkeur aan Nixon. Kennedy won omdat hij beter met het nieuwe medium van televisie kon omgaan, niet omdat hij betere ideeën had dan zijn rivaal. (Street 2001, p.205)

Opvallend genoeg kom ik het voorbeeld van het verkiezingsdebat tussen Kennedy en Nixon al tegen in allerlei artikelen en boeken sinds mijn eerste studiejaar, maar er is geen enkele literatuur te vinden met een bronverwijzing naar het daadwerkelijke onderzoek. Wel of geen onderzoek, het is in ieder geval wel duidelijk dat televisie veel meer onbedoelde signalen, zoals lichaamshouding, kan doorsturen dan radio. Daarmee heeft het belangrijke gevolgen gehad voor het voeren van politiek in de media in de laatste helft van de twintigste eeuw, waarbij een goed beeld steeds belangrijker werd tegenover goede inhoud.

Broadcast
Als we nu samenvattend kijken naar de traditionele massamedia zoals die hierboven besproken zijn, dan kunnen we meteen concluderen dat deze media in alle vormen een top-down hiërarchie hebben en dat ze werken volgens het broadcast model. Top-down wil zeggen dat beslissingen over het medium worden genomen vanuit de top van de hiërarchie van de overheid of de mediaorganisatie. Het publiek heeft niks te zeggen over het aanbod. Broadcast betekent in de letterlijke zin van het woord ‘breed zaaien’. De informatie wordt centraal gereproduceerd en massaal verspreid aan iedereen in het publiek.

Tenslotte hebben we gezien dat elk medium zijn eigen manier van het voeren van politiek met zich meebrengt. De politici die als eerste doorhebben hoe dat in zijn werk gaat hebben vaak een enorme voorsprong op hun ‘concurrentie’.

World Wide Web
Een van de belangrijkste onderdelen van het internet, het wereldwijde netwerk tussen computers, is het world wide web . Het web is in 1990 ontwikkeld door Tim Berners-Lee van CERN, het Europees instituut voor nucleair onderzoek. 2 Het world wide web is het netwerk van naar elkaar verwijzende internetpagina’s met naar elkaar verwijzende hyperlinks. Een andere applicatie die veel wordt gebruik op het internet is e-mail, het systeem van het versturen en ontvangen van berichten. Tegenwoordig wordt in plaats van de term ‘web’ ook veel de meeromvattende tem internet gebruikt. Het CERN gaf in 1993 alle protocollen rondom het web vrij, iedereen kan ze zonder kosten of restricties gebruiken.

In vergelijking met de traditionele media is de organisatiestructuur van het internet compleet anders. Zo is de structuur niet top-down, maar in de vorm van een netwerk. Elke computer die op het internet is aangesloten kan in principe een website aanbieden voor gebruikers van het internet. Dit betekent ook dat de informatie niet centraal, door één organisatie wordt aangeboden. Iedereen is in theorie in staat om zijn eigen massapubliek te trekken. In hoofdstuk drie zal ik dieper ingaan op deze verschillen van het internet tegenover de traditionele media.

Op het gebied van nieuwe media in het algemeen en het internet in het bijzonder is het nog zoeken naar de beste manier om politiek te bedrijven. Howard Dean heeft tijdens zijn campagne om gekozen te worden tot de Democratische presidentskandidaat op grote schaal gebruik gemaakt van het internet. Hierbij speelde ook zijn eigen weblog en dat van sympathisanten een grote rol. Om de mogelijke rol van weblogs in de politiek te bestuderen, is het van belang dat deze eerst duidelijk beschreven wordt. Dat gebeurt in het volgende hoofdstuk.

Literatuur in dit hoofdstuk

Barber, Benjamin. Strong Democracy: Participatory Politics for a New Age. Berkeley: University of California Press, 1984.

Briggs, Asa en Peter Burke. A Social History of the Media: From Gutenberg to the Internet. 2002. Sociale Geschiedenis van de Media. Trans. Hans Keizer. Amsterdam: Uitgeverij SUN, 2003.

Castells, Manuel. The Power of Identity. 1997. The Information Age: Economy, Society and Culture. Second ed. Malden, MA, USA: Blackwell Publishing, 2004.

Entman, Robert. Projections of Power. Chicago: The University of Chicago Press, 2004.

Habermas, Jürgen. Strukturwandel Der Öffentlichkeit. 1962. The Structural Transformation of the Public Sphere. Cambridge, USA: The MIT Press, 1989.

Stott, William. “Documenting Media.” Communication in History. Ed. David Crowley en Paul Heyer. Third ed. New York: Longman, 1999.

Street, John. Mass Media, Politics and Democracy. Basingstoke: Palgrave, 2001.

Voetnoten

  1. De debatten tussen Nixon en Kennedy zijn te beluisteren en na te lezen (maar helaas niet te zien) op de site van de John F. Kennedy Library (http://www.jfklibrary.org), het eerste debat is te vinden op http://www.jfklibrary.org/60-1st.htm.
  2. De eerste internetpagina is gearchiveerd op http://www.w3.org/History/19921103-hypertext/hypertext/WWW/Link.html door het World Wide Web Consortium (http://www.w3.org), de organisatie die de standaarden van het internet beheert.
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *