Hoofdstuk 6 – Gemeenschapsgevoel, versie 0.1

Het einde komt in zicht! Dit is de eerste versie van het laatste echte hoofdstuk. Dit hoofdstuk gaat in op de vraag of weblogs in staat zijn om een virtuele politieke gemeenschap te vormen. Het hoofdstuk is als PDF (251 kB) te downloaden en hieronder in gewone tekst te lezen.

Hoofdstuk 6 – Gemeenschapsgevoel

Jeroen Steeman (http://www.minitrue.nl)
Communicatie- en informatiewetenschappen/Nieuwe media en digitale cultuur – UniversiteitUtrecht
Versie 0.1: zondag 21 augustus 2005
Nuttige bijdragers worden bedankt, maar verder kunnen aan deze reacties geen rechten worden ontleend.

Wanneer burgers en politici op het internet virtueel bij elkaar komen om te debatteren, kunnen we dan spreken over het vormen van een gemeenschap? Dit hoofdstuk gaat nader in op deze vraag, de mogelijkheden van het vormen van een virtuele gemeenschap op weblogs en de kansen die dat biedt voor politici.

6.1 Virtuele gemeenschappen

Howard Rheingold is een van de eersten die zich bezig heeft gehouden met virtuele gemeenschappen. In zijn boek The Virtual Community (1993) vertelt Rheingold over zijn eigen ervaringen in de WELL, een van de eerste plekken waar mensen elkaar online konden treffen. De WELL (afkorting van Whole Earth ‘Lectronic Link) is in 1985 opgericht in Californië met als doel om de schrijvers en lezers van het tijdschrift Whole Earth Review met elkaar te laten communiceren. Mensen kregen toegang tot het netwerk door direct in te bellen naar de server van de WELL en konden daar terecht in discussiegroepen en konden elkaar e-mails sturen. 1

Aan de hand van de WELL beschrijft Rheingold al in de introductie van zijn boek de definitie van virtuele gemeenschappen zoals hij die verder gebruikt.

Virtual communities are social aggregations that emerge from the Net when enough people carry on those public discussions long enough, with sufficient human feeling, to form webs of personal relationships in cyberspace.
(Rheingold 1993, cursief van de auteur)

Rheingold legt hier uit dat virtuele gemeenschappen (virtual communities in het Engels) sociale bijeenkomsten zijn die ontstaan op het Net wanneer genoeg mensen lang genoeg publieke discussies volgen, met genoeg “menselijk gevoel”. Het resultaat zijn dan de netwerken van persoonlijke relaties in cyberspace. Al hoewel deze definitie regelmatig in andere wetenschappelijke artikelen wordt gebruikt (Jones 1997), zitten er wat haken en ogen aan deze definitie.

Het is bijvoorbeeld onduidelijk of een virtuele gemeenschap zich nu op één concrete (internet)plaats bevindt en zijn de begrippen ‘sociale bijeenkomsten’ en ‘netwerken van persoonlijke relaties’ onduidelijk en gedeeltelijk overlappend. Overigens kunnen wetenschappers het tot op de dag van vandaag nog niet eens worden over de definitie van gemeenschap in het algemeen (Jones 1997, Van den Boomen 2000).

Virtuele nederzettingen
Quentin Jones constateert in zijn artikel Virtual-Communities, Virual Settlements & Cyber-Archaeology: A Theoretical Outline (1997) dat er een devaluatie optreedt van de term virtuele gemeenschap doordat het regelmatig wordt gebruikt zonder de betekenis ervan goed te onderbouwen. Uiteraard doet Jones een poging om deze devaluatie te stoppen. Hiervoor ontwikkelt hij het begrip virtual settlement, of virtuele nederzetting. Met deze term wordt alleen de plaats van een virtuele groep aangeduid, zonder dat we al spreken van een gemeenschap. Een virtuele nederzetting heeft alleen betrekking op de technische voorwaarden van een ‘virtuele plek’ waar groepen elkaar kunnen ontmoeten. In zijn artikel stelt Jones een aantal eisen aan een virtuele nederzetting:

  • Een minimum aan interactiviteit: Een virtuele nederzetting bestaat bij de gratie van interactiviteit, de communicatie is de basis van de groep. Door een minimum te stellen kunnen een aantal gevallen van CMC (computergemedieerde communicatie) worden uitgesloten. Een mailinglist waarvan de geabonneerden alleen mail ontvangen en niet kunnen reageren valt dus niet onder de definitie van een virtuele nederzetting
  • Meer dan twee deelnemers: Deze conditie komt voort uit de eerste. Interactiviteit kan immers alleen mogelijk zijn wanneer er meer dan één deelnemer is. Jones stelt zelfs dat er meer dan twee deelnemers moeten zijn voordat we kunnen spreken van groepscommunicatie. Hierdoor kan bijvoorbeeld het raadplegen van een database worden uitgesloten van de definitie.
  • Gemeenschappelijke publieke ruimte waarin een significant deel van de communicatie zich afspeelt: Het ligt voor de hand dat de sociale interactie binnen een groep voor alle groepsleden toegankelijk moet zijn. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat deze plek wordt aangeduid door woorden als space of ruimte. Jones stelt ook dat deze ruimte een grens moet hebben, afgebakend door het onderwerp dat de groep bindt. Een complete verzameling Usenet-nieuwsgroepen is geen virtuele nederzetting, een individuele nieuwsgroep of een verzameling nieuwsgroepen over hetzelfde onderwerp is dat weer wel.
  • Een minimum aan ‘vaste’ deelnemers: Om een groep te behouden moet er een minimum aantal basisdeelnemers zijn, anders sterft de groep af. Van belang hierbij is ook de vastigheid van de deelnemers om te voorkomen dat er een groot verloop in de groep ontstaat.

Op basis van deze kenmerken kan volgens Jones een virtuele nederzetting herkend worden. Hoewel hij stelt dat de concepten van een virtuele nederzetting en een virtuele gemeenschap gescheiden zijn, merkt hij wel op dat wanneer er een virtuele nederzetting is gevonden, er bewijs is voor het bestaan van een virtuele gemeenschap. Aan het eind van zijn artikel merkt Jones even kort op dat sociale gevoelens en relaties helpen bij het onderscheiden van een virtuele gemeenschap van een virtuele groep, maar hij laat het na om dit concept verder uit te werken. (Jones 1997)

Sense of community
Juist op het punt van sociale gevoelens en relaties heeft Anita Blanchard het artikel van Jones bij de achilleshiel te pakken. Ze stelt in haar artikel Blogs as Virtual Communities (2004) dat deze sociale gevoelens niet zomaar een alleen een terloopse opmerking waard zijn, maar dat ze een substantieel onderdeel uitmaken van een virtuele gemeenschap. Ze definieert deze sociale gevoelens binnen een groep als sense of community of gemeenschapsgevoel. Dit gemeenschapsgevoel is het essentiële onderdeel dat een groep in een virtuele nederzetting maakt tot een virtuele gemeenschap. Zonder gemeenschapsgevoel kan er geen gemeenschap bestaan.

De sociaalwetenschappelijke term sense of community werd voor het eerst grondig uitgewerkt door McMillan en Chavis in het artikel Sense of Community: A definition and Theory (1986). Zij stellen dat het vormen van een gemeenschapsgevoel bij personen afhankelijk is van vier factoren:

  • Gevoel van lidmaatschap: Deelnemers moeten het gevoel hebben dat ze zichzelf hebben ingezet om lid te worden van de gemeenschap. Ze voelen dat ze bij de gemeenschap horen en dat ze zich identificeren met de gemeenschap.
  • Gevoel van invloed: Deelnemers moeten het gevoel hebben dat ze invloed hebben op de gemeenschap, maar ook dat ze worden beïnvloed door anderen in de gemeenschap.
  • Integratie en het voldoen aan behoeftes: Deelnemers moeten het gevoel hebben dat ze worden ondersteund door anderen in de gemeenschap en dat ze zelf anderen in de gemeenschap kunnen ondersteunen.
  • Gedeelde emotionele verbinding: Deelnemers moeten het gevoel hebben dat ze een gemeenschappelijke achtergrond hebben en dat er een ‘spirit’ of groepsgeest bestaat in de gemeenschap. McMillan en Chavis geven toe dat deze beschrijving erg vaag is, maar benadrukken dat het wel een belangrijk element is. (McMillan en Chavis 1986, p. 9-14)

Deze factoren zijn wel afzonderlijk aangetoond in wetenschappelijk onderzoek naar virtuele gemeenschappen (Blanchard 2004), maar er is nog geen onderzoek gedaan naar al deze factoren gezamenlijk om daadwerkelijk een gemeenschapsgevoel aan te tonen binnen een virtuele gemeenschap.

6.2 Zijn weblogs virtuele gemeenschappen?

Nu we hebben vastgesteld dat virtuele groepen moeten voldoen aan een aantal technische en sociale eisen voordat we het virtuele gemeenschappen kunnen noemen, is het tijd om te onderzoeken of weblogs in staat zijn om virtuele gemeenschappen te kunnen vormen.

De eerste stap die we moeten nemen is het onderzoeken of weblogs überhaupt gezien kunnen worden als virtuele nederzetting, de plaats waarop de virtuele gemeenschap zich kan ontwikkelen.

Virtuele nederzettingen
Een van de eisen die Jones stelt aan een virtuele nederzetting is dat een significant deel van de communicatie zich in een gemeenschappelijke publieke ruimte moet afspelen. Efimova en Hendrick merken in hun onderzoek naar de grenzen van webloggemeenschappen (2004) terecht op dat we ons hier niet persé moeten concentreren op één weblog als plaats, maar dat ook een groep weblogs in een eigen blogosfeer een nederzetting kunnen vormen.

It became clear at an early stage that the linear way of researching online community would not be sufficient as community participation in weblog networks is not located in one place, but distributed both on individual weblogs, as well as in the space between the personal weblogs.
(Efimova en Hendrick 2004, cursief van de auteurs)

Aan de ene kant kan één specifiek weblog mogelijk de plaats van een virtuele nederzetting zijn, en aan de andere kant kan een groep van individuele bloggers een blogosfeer creëren die als geheel kan dienen als plaats voor de virtuele nederzetting.

Een tweede vereiste aan een virtuele nederzetting is een minimum aan interactieve mogelijkheden. Hier moeten we meteen onderscheid maken tussen lichte en zware weblogs. Zware weblogs bieden de mogelijkheid tot het plaatsen van reacties en maken gebruik van trackbacks en blogrolls. Hier is dus zeker sprake van genoeg interactiemogelijkheden. Bij lichte weblogs zal het een stuk moeilijker, zo niet onmogelijk zijn om dit minimum te behalen.

Ten derde moet een virtuele nederzetting meer dan twee deelnemers hebben. Wederom biedt een zwaar weblogs deze mogelijkheid, mits er natuurlijk genoeg bezoekers reageren. Een licht weblog kan desondanks onderdeel uitmaken van een groep van bloggers die in hun artikelen naar elkaar linken, iets wat natuurlijk ook bij een zwaar weblog het geval kan zijn.

Tenslotte moet er een vaste basis van groepsleden bestaan binnen een weblog of een groep van weblogs. Net als bij de andere eisen moet deze eis getoetst worden aan een concrete groep. Het kan voorkomen dat een weblog of een groep webloggers een ‘harde kern’ van leden heeft, maar dat hoeft niet persé in alle gevallen zo te zijn.

Gemeenschapsgevoel bij het Julie/Julia Project
Hierboven hebben we vastgesteld dat een weblog potentieel een virtuele nederzetting kan herbergen. Aan de eisen die Jones stelt kan door een weblog voldaan worden, hoewel zware weblogs eerder aan de eisen zullen voldoen dan lichte weblogs. De volgende stap is het ontdekken van een gemeenschapsgevoel bij weblogs.

Blanchard heeft zich bij haar onderzoek gericht om één weblog, het Julie/Julia Project, 2 waarin Julia probeert om alle 536 recepten uit Mastering the Art of French Cooking van kooklegende Julia Child in een jaar te koken. Het weblog kreeg meer dan zevenduizend hits in de drukste periode en tientallen reacties van lezers per bericht.

De lezers werden door Blanchard gevraagd om online een vragenlijst in te vullen. Deze vragenlijst was direct afgeleid van de aanbevelingen die McMillan en Chavis doen in hun artikel. Daarin bieden ze een empirische methode om het gemeenschapsgevoel in gemeenschappen letterlijk ‘te meten’.

Aan de hand van de resultaten concludeert Blanchard dat er een licht gemeenschapsgevoel bestaat onder de lezers van het weblog. Maar aan de hand van de opmerkingen bij de enquête stelt Blanchard dat er wel sprake is van een hechte gemeenschap. Het blijkt dat vooral de actieve reageerders op het weblog een gemeenschapsgevoel heerst, terwijl de lurkers, lezers die niet reageren, deze gevoelens niet hebben.

Yet, it lacked a large enough group of people who considered it a virtual community. Without a critical mass of engaged, connected, and attached participants, its survival depended primarily on the blog author alone. Clearly, there must be a large enough subset of the members who have a strong enough sense of community for a virtual group to cross over to a virtual community.
(Blanchard 2004)

Blanchard concludeert dat de meerderheid van de bezoekers het weblog niet zagen als een gemeenschap en dat hierdoor de schrijver van het weblog de enige persoon bleef die de groep bij elkaar hield. Nadat zij stopte met schrijven (ze had alle recepten geprobeerd), viel de groep lezers dan ook snel uit elkaar. (Blanchard 2004)

Jammer genoeg gaat Blachard niet nader in op de factoren van het gemeenschapsgevoel zoals McMillan en Chavis de bespreken in hun artikel, maar blijft ze steken in het kwantitatieve onderzoek, zonder zelf het onderzoek verder te verdiepen. Daarnaast is het de vraag of het terecht is om de lurkers mee te nemen in dit onderzoek, aangezien zij vaak alleen de posting van de blogger lezen en het commentaar van andere lezers overslaan.

De factoren van het gemeenschapsgevoel kunnen veel beter gebruikt kunnen worden in een kwalitatief onderzoek waarin een mogelijke gemeenschap veel beter onder de loep genomen komen worden en waarin meer aandacht is voor de eisen zoals McMillan en Chavis die bespreken in hun onderzoek. Een vereiste is dan wel dat de onderzoeker zich grondig moet verdiepen in de ontwikkeling van de groep en haar leden.

Gemeenschapsgevoel bij Retecool
Dat er wel degelijk een echte virtuele gemeenschap kan ontstaan op een weblog, wil ik aantonen aan de hand van een kleine analyse van het weblog Retecool3, een weblog dat ik zelf al jaren zeer grondig bestudeer en waarop ik af en toe zelf ook reageer. Op basis van deze participerende observatie zal ik in het kort de vier aspecten van gemeenschapsgevoel van McMillan en Chavis bespreken zoals die op Retecool voorkomen. Voor de overzichtelijkheid zijn links naar de voorbeelden in voetnoten opgenomen.

  • Gevoel van lidmaatschap: De reaguurders (zoals regeerder op Retecool genoemd worden.) op Retecool hebben de mogelijkheid om zichzelf te registreren met een nickname. Deze naam komt dan automatisch onder iedere reactie te staan. Ook krijgt een reaguurder een persoonlijke pagina waarop hij enkele gegevens over zichzelf kan publiceren. Tenslotte biedt de ReteWiki (de wiki-pagina van Retecool) de reaguurders de mogelijkheid om een eigen pagina meer over zichzelf te vertellen. Een voorbeeld uit de wikipagina over bezoeker Sha-baz.

    Wordt door sommigen verweten te lijden aan grootheidswaanzin. E.e.a. doordat hij in diverse discussies heeft beweerd eigenlijk god te zijn. Sha-baz was tevens één van de eerste negers die zich ooit registreerde op Stormfront. Hij verwierf onder andere eeuwige roem door de wereld het beroemde *plop* commenticon 4 te schenken in dit topic.
    Sha-baz wordt er van verdacht een Retecool GoldMember te zijn, want hij kan openlijk w00ten 5 in de reactiepanelen. Bovendien zijn er recente reacties van hem opgedoken in topics waarvan het reactiepaneel reeds maanden geleden is verwijderd. 6

  • Gevoel van invloed: Alle reaguurders mogen na elke Fotofuck Vrijdag (waarin wordt gephotoshopt rondom een thema) stemmen wie de beste fotofuck heeft gemaakt en wie de winnaar is. Daarnaast spreken de reaguurders elkaar aan op onwenselijk gedrag. In de posting Uncyclopedia, waarin een nep-encyclopedie wordt besproken, merkt Blues in reactie op Diego del Pantalon op dat het niet nodig is om leuke berichten helemaal over te nemen, een linkje plaatsen is genoeg. Deze raad wordt meteen opgevolgd door andere reaguurders. 7
  • Interactie en het voldoen aan behoeftes: Om vervelende spammers terug te pakken ontwikkelde reaguurder en redactielid Blues samen met andere reaguurders de Braatolizer . Dat is een applicatie waarmee spammers teruggepakt kunnen worden voor hun ongevraagde mailtjes. De applicatie zorgt ervoor dat deze spammers automatisch een enorme hoeveelheid aan valse gegevens teruggestuurd krijgen. Hun database raakt vervuild en ze kunnen echte klanten niet meer onderscheiden van de onechte. Hierdoor wordt de database met klantgegevens waardeloos en heeft de spam geen nut meer. 8 Wanneer een blogger op Retecool vraagt aan de lezers om hun Braatolizer op te starten, dan wordt daar meestal massaal gehoor aan gegeven. Vaak raakt hier niet alleen de database van de spammer door vervuilt, maar begeeft zelfs de server van de spammer het en is de website voor niemand meer te bereiken.
  • Gedeelde emotionele verbinding: McMillan en Chavis noemen onder andere een gedeelde geschiedenis een gedeelde emotionele verbinding. Bekende voorvallen die alle reguurders op Retecool kennen zijn er volop. Om deze verhalen te bewaren heeft Reet, de oprichter van Retecool besloten om de ReteWiki in het leven te roepen. Hierop wordt de gedeelde geschiedenis van het weblog Retecool en haar reaguurders bijgehouden. Zoals de hoofdpagina van de ReteWiki zelf meldt:

    Lees hier waar bepaalde kreten en uitspraken vandaan komen en hoe ze zijn ontstaan, waarom sommige personen legendarisch zijn, wanneer de legendarische Blues’ Braatolizer is ontstaan, hoe het nou eigenlijk zit met Foto Fuck Vrijdag, hoe het komt dat Betsy en OB altijd ruzie hebben en alle andere wetenswaardigheden, gebeurtenissen en evenementen die te maken hebben met Retecool. 9

Aan de hand van deze kleine casestudy heb ik laten zien dat er op het weblog Retecool zeker gesproken kan worden over een gemeenschapsgevoel, gemeten aan de criteria van McMillan en Chavis. Een kanttekening die hierbij geplaatst moet worden is dat niet alle voorbeelden direct uit het weblog en haar commentaar afkomstig zijn, maar ook uit de ReteWiki. Het is echter wel duidelijk dat het weblog de spil is waar het allemaal om draait in deze gemeenschap. In de reacties ontstaan ideeën die later in de ReteWiki of elders uitgewerkt worden. Het ontstaan van deze ‘spin-offs’ zorgt ervoor dat de eisen van McMillan en Chavis worden bevestigd en hierdoor wordt het functioneren van het weblog als virtuele gemeenschap benadrukt.

6.3 De open source-campagne van Howard Dean

Wat kunnen politici nu met het gegeven dat weblogs tools zijn om virtuele gemeenschappen te creëren? De campagne van de Amerikaanse Democratische presidentskandidaat Howard Dean heeft laten zien hoe zo’n virtuele gemeenschap enorme effecten kan hebben op het verloop van verkiezingscampagnes. De campagnemanager van Howard Dean, Joe Trippi schrijft er vol vuur over in zijn boek The Revolution will not be televised (2004).

Democratische voorverkiezingen
Howard Dean was in 2002 gouverneur van de kleine en onopvallende staat Vermont in de Verenigde Staten. Hij besloot om mee te doen aan de voorverkiezingen om de Democratische presidentskandidaat te kiezen die het in 2004 zou moeten opnemen tegen president George W. Bush in de presidentsverkiezingen. Desondanks de enorme achterstand op zijn concurrenten aan het begin, werd Dean een van de serieuze kanshebbers om gekozen te worden tot de officiële presidentskandidaat van de Democraten.

Aan het begin van de race was de campagne van Howard Dean slechts een voetnoot vergeleken met de oorlogsmachines die andere kandidaten waaronder John Kerry hadden draaien. De campagne werd georganiseerd door slechts zeven personen, inclusief de gouverneur zelf, in een klein kantoor boven een café in Burlington in Vermont. In schoenendozen zaten briefjes met daarop negenduizend namen van mogelijke aanhangers, de “Friends of Howard”. De bekendheid van Howard Dean in de staten waar de voorverkiezingen het eerst gehouden werd, was minimaal. (Trippi 2004)

Omdat de campagne zo hopeloos achterlag op de concurrenten besloten Dean en Trippi om de campagne compleet anders op te zetten. Ze wilden de campagne decentraliseren. Daarmee wilden ze niet langer de campagne beheersen vanuit een centrale commandopost, maar opdelen in verschillende stukken die hun eigen verantwoordelijkheid hebben. Ze wilden een virale campagne opzetten, waarbij een persoon twee anderen overtuigd, die op hun beurt ook weer mensen overtuigen, enzovoorts.

Het ultieme middel om deze campagne op te zetten was bijna vanzelfsprekend het internet. Campagnemanager Trippi had naast zijn werk in de politiek altijd oog gehad voor de ontwikkelingen van het internet. Al in 1984 sprak hij over een vroege versie van het internet en hoe die de politiek zou veranderen, collega’s verklaarden hem voor gek.

Opmerkelijk genoeg was het niet alleen het feit dat de Deancampagne het internet omarmde, min of meer tegelijkertijd ontstonden er al op het internet groepen die zich schaarden achter de campagne van Dean. Al in januari 2003, zonder dat er iets van betekenis in de campagne was gebeurd, ontdekte een blogger dat er al een paar honderd Dean-aanhangers elkaar regelmatig troffen in cafés. Deze bijeenkomsten werden afgesproken op de net geopende internetsite Meetup. 10 In een reactie hierop plaatste de webmaster van de campagne een link naar Meetup op de site van de campagne. Kort daarna bleken er al een kleine drieduizend mensen lid te zijn van lokale Dean-groepen, uiteindelijk zouden de groepen uitgroeien tot 190.000 leden.

In de lente die volgde meldden steeds meer mensen zich bij het hoofdkwartier van de campagne in Burlington om mee te helpen met de campagne. Joe Trippi nam meteen een aantal personen aan die zich al hadden bewezen door op hun eigen weblog te schrijven over de campagne.

De stap naar open source
Belangrijk was dat door middel van het weblog, de campagne in staat was om direct de mening van alle volgers te vragen wanneer de campagne een nieuw idee had opgedaan. Zo bedachten de medewerkers dat het handig zou zijn om iedere internetter zijn eigen affiches te laten printen. Iedere staat kreeg een eigen affiche, zoals “Iowa for Dean” en “New Hampshire for Dean”, van Alaska tot Wyoming. De affiches werden de eerste dag al maarliefst 87.000 keer gedowload. Maar binnen enkele minuten kwam er een mailtje binnen van een aanhanger uit Puerto Rico, dat ze geen affiche gemaakt hadden met “Puerto Rico for Dean”. Hoewel Puerto Rico geen Amerikaanse staat is, maar een territory van de VS, mogen de inwoners meestemmen in de voorverkiezingen. Nadat een affiche voor Puerto Rico online was gezet, kwamen er acht dankberichten, maar ook een reactie op het weblog dat de campagnemedewerkers de Amerikanen in het buitenland vergeten waren. (Trippi 2004)

Het voorafgaande toont niet alleen aan dat de supporters het idee hebben dat ze kunnen reageren op zaken uit de campagne, maar vooral ook dat de campagnemedewerkers luisteren naar de input van de supporters en proberen om deze input te gebruiken in de campagne. Oftewel, dat ze daadwerkelijk invloed hebben. De campagne was inderdaad uit de handen van de campangemedewerkers, campagnemanager Trippi en gouverneur Dean geglipt. Het was een open source-campagne geworden, zoals Trippi het noemt, waarin de aanhangers van Dean uit heel Amerika enorme invloed hadden.

Een vrouw meldde op het weblog dat ze haar fiets had verkocht ‘voor Dean’ en maakte 175 dollar over. Al gauw stroomde de cheques binnen van anderen die hun fiets verkochten voor de campagne. Trippi vertelt in zijn boek The revolution will not be televised van nog een tiental voorbeelden waarin de supporters de leiding nemen en nieuwe ideeën voor de campagne aandragen.

De basis van de campagne was het weblog. Dat werd elke dag geüpdate met de laatste nieuwtjes over de campagne, geschreven door de webmaster, maar ook door gastbloggers; schrijvers, politici en ‘gewone’ supporters.

It was the nerve center of the campaign. The blogosphere was where we got ideas, feedback, support, money—everything a campaign needs to live. When the traditional media finally came around, beginning in late June, this was the hardest thing for them to grasp. They couldn’t see these supporters and so reporters fixated on a bunch of people in basements, hunched over computers. But in fact, the blog was where the online campaign began its translation to the real world. And the first stop for people who wanted to get involved was often the campaign’s official web log, Blog for America.
(Trippi 2004, p. 141-142)

Tot de zomer van 2003 loopt alles op rolletjes in de campagne, Dean heeft de beste vooruitzichten op uitverkiezing tot de officiële presidentskandidaat van de Democraten. Hij ligt voor in de peilingen en ligt een straatlengte voor op andere kandidaten op het gebied van het binnenhalen van geld, in Amerikaanse verkiezingen bijna belangrijker dan de peilingen.

De crash in Iowa
Maar vanaf juli 2003 gaat het minder met de campagne. Door de voorsprong in de polls komt Howard Dean midden in de mediastorm te liggen, aangewakkerd door de andere presidentskandidaten die graag zien dat Dean het wat moeilijker krijgt.

De traditionele media duikelen lang vergeten video’s op van onhandige uitspraken van Dean en de presidentkandidaten bombarderen de kiezers met verkiezingsspotjes waarin Dean in een slecht daglicht wordt gestelt. Volgens Trippi verliest Dean door deze mediastorm de voorverkiezingen in Iowa verloren. Maar de grote klap moet nog komen.

De speech die Howard Dean geeft na zijn verloren race in Iowa doet hem de das om. Daarin moedigt hij overenthousiast het publiek aan.

You know something? If you had told us one year ago that we were going to come in third in Iowa , we would have given anything for that…
And you know something? Not only are we going to New Hampshire , we’re going to South Carolina and Oklahoma and Arizona and North Dakota and New Mexico ! We’re going to California and Texas and New York ! And we’re going to South Dakota and Oregon and Washington and Michigan ! And then we’re going to Washington , D.C. To take back the White House!
(Trippi 2004, p. 185)

Alhoewel Joe Trippi het niet in zijn boek vermeldt, sluit Howard Dean deze zin af met een hard “Yeeeaah!”. Dean stond in z’n enthousiasme niet stil bij alle televisiecamera’s die bij de bijeenkomst aanwezig waren. De nieuwszenders herhalen de ‘scream’ keer op keer, om elk uur voor twee dagen achterelkaar. Nieuwspresentatoren en verslaggevers noemen de schreeuwende Dean bizar, eng en zelfs hondsdol. Volgens schattingen is de schreeuw 633 uitgezonden. Achteraf boden de nieuwsorganisaties hun excuses aan voor het (te) veelvuldig uitzenden van de ‘Dean Scream’. 11 De voorverkiezingen in de volgende staten New Hampshire en Wisconsin worden ook niet gewonnen en Dean besluit om de handdoek in de ring te gooien.

De campagne is ten onder gegaan in de enorme mediastorm die opstak toen Dean voor stond in de peilingen. De campagne was een succes geworden dankzij het gebruik van nieuwe media, maar bleek niet berekend op de traditionele campagne zoals die nog steeds door de andere kandidaten gevoerd wordt. In deze traditionele campagnes wordt veel gebruik gemaakt van televisiespotjes, waarin juist de negatieve punten van de tegenstanders wordt benadrukt om er zelf zo goed mogelijk uit te zien. In hoofdstuk 2 kwam deze schandaalpolitiek al aan bod als een resultaat van het veranderende medialandschap, waarin politici alleen aandacht krijgen als er weer een nieuw schandaal onthuld wordt.

6.4 Een politieke virtuele gemeenschap

De vorige paragrafen hebben laten zien dat weblogs in staat zijn tot het vormen van virtuele gemeenschappen en zelfs dat het mogelijk is om een politieke virtuele gemeenschap te vormen. De campagne van Dean heeft echter laten zien dat we niet moeten spreken van een ‘revolutie’ waarin het campagnevoeren (in de Verenigde Staten) van de ene op de andere dag te verwachten is. De campagne heeft echter wel een stevige aanzet gedaan in de evolutie van het campagnevoeren, waarin de weblogs een steeds grotere rol gaan spelen om een actieve gemeenschap van aanhangers te creëren.

Een politieke virtuele gemeenschap opzetten
Er moet niet te licht gedacht worden over het opzetten van een virtuele gemeenschappen. De meeste virtuele gemeenschappen zijn immers min of meer vanzelf ontstaan, zonder van te voren het oogmerk te hebben om een virtuele gemeenschap te ontwikkelen (Van den Boomen 2000). Zo heeft Retecool er vijf jaar over gedaan om te komen tot de virtuele gemeenschap die vandaag de dag de reactiepanelen vult.

In tegenstelling tot andere vormen van interactie op het web, staat het weblog altijd onder leiding van één blogger of van een redactie van bloggers. Politici kunnen dit gegeven gebruiken om te proberen om de vorming van een gemeenschap te stimuleren. De ervaren webloggers Chris Bowers en Matthew Stoller (2005) beschreven voor het Amerkaanse New Politics Institute enkele manieren om andere bloggers te betrekken in een lokale campagne. Op basis hiervan kan ik enkele aanbevelingen doen die in ieder geval het vormen van een netwerk van weblogs stimuleren die op zijn beurt weer een gemeenschap kan doen ontstaan.

  • Verzamel de weblogs van lezers die zijn geïnteresseerd in de onderwerpen. Plaats bijvoorbeeld een e-mailformulier waar bloggers hun naam en url achter kunnen laten.
  • Lees de weblogs van geïnteresseerde lezers. Op deze manier blijf je op de hoogte van de zaken die de bloggers interessant vinden en die mogelijk ook voor je eigen blog interessant zijn.
  • Link naar de weblogs als je een interessant onderwerp van ze overneemt. Dit vergroot je aanwezigheid in de blogosfeer en wordt zeer gewaardeerd door de andere bloggers.
  • Informeer de geïnteresseerde bloggers voor of tegelijkertijd met de traditionele media en geef ze zo mogelijk meer informatie, laat ze zelfs interviews afgeven en geef ze perspasjes.
  • Luister naar kritiek en beantwoord deze op je weblog. Dit geeft je als weblogger meer geloofwaardigheid. Bloggers zien op deze manier dat je te benaderen bent en niet in een ivoren toren zit.

Deze aanbevelingen betrekken de burgers direct bij de politieke onderwerpen die op een weblog behandeld worden. Ze geven de bloggers het gevoel van lidmaatschap en invloed, door dat een politicus naar ze luistert en hun ideeën gebruikt. De lezers en reageerders van een politiek weblog kunnen eenzelfde gevoel ontwikkelen wanneer er ook naar hen wordt geluisterd en als de bloggers meepraten in hun eigen reactiepanelen.

Op deze manier kan een politicus ervoor zorgen dat zich op de weblog een gemeenschapsgevoel ontstaat, zoals McMillan en Chavis die beschreven. Wanneer een politicus zo met zijn achterban omgaat, zal de kloof tussen politiek en burgers verkleinen. Geïnteresseerde burgers kunnen rechtstreeks met hun politicus en met andere burgers communiceren. Ze zullen een politieke virtuele gemeenschap gaan vormen.

De gemeenschap werkt voor de politicus
De actieve gemeenschap van lezers, reageerders en bloggers die rondom het weblog van een politcus ontstaan, heeft een enorm potentieel. De leden van de gemeenschap zullen zich actief inzetten bij de campagne en zullen proberen om de boodschap van de politicus verder te verspreiden, zoals we zagen bij de campagne van Dean.

Ten eerste zullen andere bloggers interessante onderwerpen verspreiden doordat ze er zelf over schrijven en doordat ze teruglinken naar het weblog waar het onderwerp oorspronkelijk vandaan komt. In het eerdere hoofdstukken over nieuwsverspreiding en debat hebben we gezien welk effect deze netwerken kunnen hebben, doordat het nieuws zich als een olievlek kan verspreiden.

Ten tweede zullen de lezers van het weblog (en die van de andere weblogs die het onderwerp hebben overgenomen) wanneer ze echt enthousiast worden over een politicus, zijn boodschap ook verspreiden via hun persoonlijke netwerken. Die netwerken kunnen zich zowel in cyberspace als in real life bevinden en bestaan uit vrienden, familie en kennissen. Vooral de kennissen zijn belangrijk in het verspreiden van ideeën, zo beschrijft Malcom Gladwell. Deze zogenaamde weak ties hebben namelijk een veel breder bereik dan familie en vrienden die meestal in dezelfde gemeenschappen zitten als de persoon zelf. (Gladwell 2000)

Al in de jaren veertig en vijftig toonden de Amerikaanse onderzoekers Katz en Lazarsfeld aan dat in plaats van massamedia, juist sociale relaties tussen personen en in gemeenschappen een belangrijke rol spelen in het vormen van een opinie, bijvoorbeeld over politici. (Underwood 2003) Hierdoor zal een virtuele gemeenschap rondom het weblog van een politicus helpen om zijn boodschap te verspreiden via een groter netwerk. Maar vooral zal de gemeenschap meer burgers bij politieke onderwerpen betrekken, die door de politieke verslaggeving in de traditionele media het vertrouwen in politici hebben verloren.

Literatuur in dit hoofdstuk

Blanchard, Anita. “Blogs as Virtual Communities: Identifying a Sense of Community in the Julie/Julia Project.” Into the Blogosphere: Rhetoric, Community, and Culture of Weblogs . Ed. Laura J. Gurak, Smiljana Antonijevic, Laurie Johnson, Clancy Ratliff, and Jessica Reyman. juni 2004. http://blog.lib.umn.edu/blogosphere/blogs_as_virtual.html, N 27 juli 2005.

Boomen, van den, Marianne. Leven op het Net: De sociale betekenis van virtuele gemeenschappen . 2000. http://www.xs4all.nl/˜boom/boek, 17 augustus 2005.

Bowers, Chris en Matthew Stoller. “Emergence of the Progressive Blogosphere: A New Force in American Politics.” 10 augustus 2005. http://www.ndnpac.org/npi/blogreporthtml.html , N 21 augustus 2005.

Efimova, Lilia en Stephanie Hendrick. “In search for a virtual settlement: An exploration of weblog community boundaries.” 2004. https://doc.telin.nl/dscgi/ds.py/Get/File-46041, N 27 juli 2005.

Gladwell, Malcolm. The Tipping Point . 2000. New York : Back Bay Books, 2002

Jones, Quentin. “Virtual-Communities, Virtual Settlements & Cyber-Archeology: A Theoretical Outline.” Journal of Computer-Mediated Communication . december 1997. http://jcmc.indiana.edu/vol3/issue3/jones.html, N 27 juli 2005.

McMillan, David W. en David M. Chavis. “Sense of Community: A Definition and Theory.” Journal of Community Psychology. januari 1986.

Rheingold, Howard. The virtual community: Homesteading on the electronic frontier . Reading , USA : Addison-Wesley, 1993. http://www.rheingold.com/vc/book , N 27 juli 2005.

Trippi, Joe. The revolution will not be televised . New York: ReganBooks, 2004.

Voetnoten

  1. The WELL – Learn About The WELL: http://www.well.com/aboutwell.html , N 27 juli 2005
  2. The Julie/Julia Project: http://blogs.salon.com/0001399 , N 27 juli 2005
  3. The Amazing Retecool: http://www.retecool.com , N 29 juli 2005
  4. Commenticon : Een afbeelding die de opmerking van een reaguurder kracht bijzet. Commenticons die door de groep worden gewaardeerd worden vaker gebruikt, zoals het *plop*-commenticon dat symbool staat voor het openen van een biertje.
  5. Het plaatsen van het woord ‘w00t’ als eerste reactie bij een nieuwe post. Omdat een dergelijke actie niet wordt gewaardeerd, krijgt de reaguurder meestal meteen een IP-ban, hij kan daardoor niet meer reageren.
  6. Retecool Wiki NL – Sha-baz: http://wiki.retecool.com/index.php/Sha-baz , N 27 juli 2005
  7. The Amazing Retecool – Uncyclopedia: http://retecool.com/comments.php?id=9712_0_1_0_C , N 27 juli 2005
  8. Retecool Wiki NL – Braatolizer: http://wiki.retecool.com/index.php/Braatolizer , N 27 juli 2005
  9. Retecool Wiki NL – Hoofdpagina: http://wiki.retecool.com/index.php/Hoofdpagina , N 27 juli 2005
  10. Meetup: Organizing Local Interest Groups: http://www.meetup.com
  11. Het artikel over Howard Dean op Wikipedia heeft een opname van de schreeuw beschikbaar: http://en.wikipedia.org/wiki/Howard_Dean#Iowa_results_and_the_campaign.27s_collapse (29 juli 2005)
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *