[2.3] Nieuwe media zorgen voor nieuwe politiek

Zoals we eerder al hebben geconstateerd in het voor politici van 'levensbelang' om goed om te kunnen gaan met de massamedia. Zij zijn namelijk de tussenliggende schakel tussen politiek en burgers. Deze paragraaf geeft een korte samenvattingen van het ontstaan van verschillende massamedia en het gebruik hiervan door de politiek.

Kranten

Johann Gutenberg maakte in de vijftiende eeuw als eerste in Europa gebruik van de boekdrukkunst om de Bijbel in massaproductie te nemen. 'Massa' moeten we hier zien als een relatief begrip, gedrukt werk was natuurlijk alleen te lezen door burgers met een goede opleiding. De pers stond tot de democratische revoluties in de negentiende eeuw in bijna heel Europa onder controle van de vorst. Hij moest een uitgave eerst goedkeuren voordat het gedrukt mocht worden. Toch worden er ondergronds pamfletten over politieke onderwerpen gedrukt en verspreid onder de burgers. Zo werden er duizenden verschillende pamfletten gedrukt in Nederlandse provinciën tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In de loop van de zestiende en zeventiende eeuw kregen de pamfletten steeds meer een periodiek karakter en gingen - meestal illegaal - de concurrentie aan met officiële staatskranten. Deze staatskranten waren opgericht om ervoor te zorgen dat het publiek een goed beeld kreeg van de vorst. 'Goed' moet hier gelezen worden als zo gunstig mogelijk voor de vorst zelf, een overduidelijke poging tot framing. Zo richtte Kardinaal Richelieu , die in Frankrijk samen met Lodewijk XIII regeerde van 1630 tot 1643, de staatskrant Gazette op. Asa Briggs en Peter Burke schrijven hierover in A Social History of the Media: From Gutenberg to the Internet (2002).

Jean-Baptiste Colbert, van 1661 tot 1683 de belangrijkste minister van Lodewijk xiv , was nog meer mediabewust dan Richelieu. De creatie van een gunstig beeld van de koning, zowel voor een buitenlands publiek als in eigen land, met verslagen in de pers, historische verhalen, gedichten, toneelstukken, balletten, opera's, schilderijen, standbeelden, gravures en medailles, was het werk van een team kunstenaars en schrijvers onder supervisie van Colbert.
(Briggs en Burke 2002, p. 87)

De kranten waren de aanjagers van de democratische revoluties in de achttiende en negentiende eeuw. Iedere politieke stroming bracht voor de revolutie van 1789 in Parijs zijn eigen krant uit. (Habermas 1963, p. 183) De artikelen in deze kranten vormden de basis voor politieke discussies die plaatsvonden in koffiehuizen en die op hun beurt de grondslag vormden voor de volksopstanden. In deze koffiehuizen ontstond onder de burgers een publieke discussie over de politieke situatie van het land en over de mogelijkheden om deze situatie te veranderen. Hoofdstuk 5 gaat nader in op deze ontwikkelingen.

Advertenties en affiches

De verbeteringen in de boekdrukkunst in de negentiende en twintigste eeuw maakten dat er een nieuwe manier ontstond om burgers te bereiken. Door middel van advertenties en aanplakbiljetten probeerden de machthebbers het volk te overtuigen van hun ideologie. Deze manier van reclame maken voor een ideologie wordt ook wel propaganda genoemd. Aan het begin van de twintigste eeuw betekende propaganda hetzelfde als reclame, maar langzaam kreeg het woord in het Nederlands en in andere talen een negatieve bijklank.

Vooral in de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog maakten alle partijen uitgebreid gebruik van dit medium om de haat voor de tegenstander onder de bevolking aan te wakkeren of om het vertrouwen in het eigen land te vergroten, zoals enkele voorbeelden laten zien.

Figuur 2-3 (links): Amerikaans affiche uit de Tweede Wereldoorlog (Afbeelding is afkomstig uit het publieke domein. Klik op de afbeelding voor een vergroting.)
Figuur 2-4 (rechts): Duits affiche uit de Tweede Wereldoorlog (Afbeeling is afkomstig uit het German Propaganda Archive van Randall Bytwerk. Klik op de afbeelding voor een vergroting.)

Radio

Verschillende uitvinders, waaronder Heinrich Hertz en Guglielmo Marconi , hielden zich aan het einde van de negentiende eeuw bezig met radiogolven om een boodschap over een grote afstand te kunnen versturen. De eerste dertig jaar was de radio vooral het domein van het leger, uitvinders, wetenschappers en radioamateurs.

Pas in de jaren twintig konden radio's zo goedkoop gefabriceerd worden, dat ze konden worden verspreid onder een groot publiek. De aanloop naar de Tweede Wereldoorlog en de oorlog zelf brachten de ontwikkelingen van de radio als massamedium in een stroomversnelling.

Adolf Hitler en Joseph Goebbels , zijn minister van propaganda, hadden al snel door dat via de radio een massaal publiek kon worden bereikt. Ze lieten een goedkope radio, de Volksempfänger ontwikkelen, zodat iedereen kon luisteren naar de uitzendingen van de nazi's. Goebbels verklaarde op de eerste radiotentoonstelling in 1933 dat de radio in de twintigste eeuw de rol zou spelen die de gedrukte pers in de negentiende eeuw had gespeeld. (Briggs en Burke 2002, p. 212) Zowel aan de kant van de nazi's als aan de kant van de geallieerden werd de radio tijdens de oorlog gebruikt voor propaganda; het moreel van de strijders moest hoog gehouden worden.

In de Verenigde Staten gebruikte president Franklin Roosevelt rond dezelfde tijd de radio om de gedrukte pers te omzeilen waarvan bekend was dat die massaal tegen zijn politiek was gekant. Bekend zijn de fireside chats waarin Roosevelt op een persoonlijke manier contact maakte met zijn luisteraars. De cultuurhistoricus William Stott bespreekt dit in zijn artikel Documenting Media (1999).

Historians agree that Franklin Roosevelt's use of radio in his Fireside Chats made him, though President, a living human, an acquaintance, to millions in America . Roosevelt used the medium more as it should be used than other public men had dared to. He was personal, friendly, even a bit casual. (...) During a 1933 broadcast he interrupted his talk to ask for a glass of water, paused while it was brought, took a swallow audible in living rooms across the country, and then told the listeners: "My friends, it's very hot here in Washington tonight." His simple gesture drew thousands of sympathetic letters.
(Stott 1999, p. 238)

De verkiezingen van 1936 won Roosevelt glansrijk, ondanks de grootste oppositie van de kranten ooit. Uit peilingen bleek dat tachtig procent van de Amerikaanse kranten tegen zijn herverkiezing was. Roosevelt kon in zijn radiotoespraken de framing van de Amerikaanse boodschap omzeilen en rechtstreeks de burgers bereiken.


Figuur 2-5 (boven): Duits affiche over de Volksempfänger (Afbeeling is afkomstig uit het German Propaganda Archive van Randall Bytwerk. Klik op de afbeelding voor een vergroting.)
Figuur 2-6 (onder): President Roosevelt houdt een fireside chat. ( Afbeelding is afkomstig uit het publieke domein. Klik op de afbeelding voor een vergroting .)

Film

Ook aan het eind van negentiende eeuw wordt er in verschillende landen - ongeveer tegelijkertijd - een manier gevonden om bewegende beelden op te nemen en later weer te projecteren. In Frankrijk zijn dat de gebroeders Lumière in Lyon, in de Verenigde Staten is dat Thomas Edison . In eerste instantie worden er op kermissen demonstraties gegeven van korte stukjes film. In de jaren twintig worden er in hoog tempo bioscopen gebouwd waarin het publiek kan kijken naar langere films of naar nieuwsuitzendingen, vanaf de jaren dertig ook met geluid.

Vooral de dictatoriale regimes in Duitsland en de Sovjetunie gaan in de eerste helft van de twintigste eeuw films maken die duidelijk het doel hebben om haar bevolking te beïnvloeden. Bekende voorbeelden zijn Bronenosets Potyomkin (Pantserkruiser Potemkin), een Sovjetfilm van Sergei Eisenstein uit 1925 en Triumph des Willens (1935) van Leni Riefenstahl.

Pantserkruiser Potemkin vertelt over de heroïsche poging van matrozen van de Potemkin in 1905 om in de thuishaven Odessa de socialistische revolutie te ontketenen, omdat ze op het schip moeten leven onder erbarmelijke omstandigheden. De bevolking ondersteunt de matrozen, maar de opstand wordt bloedig neergeslagen door kozakken.

Triumph des Willens geeft een verheerlijkt beeld van de NSDAP op een partijdag in Nürnberg in 1934. De film toont de indrukwekkende en opruiende toespraken van Adolf Hitler en laat zien hoe duizenden aanhangers strak in het gelid voorbij marcheren om te tonen hoe sterk de partij is.

Televisie

Hoewel de televisie al voor de Tweede Wereldoorlog was uitgevonden en de nazi's op kleine schaal televisie gebruikten om propaganda uit te zenden, kwam pas na de oorlog de televisie voor gewone burgers binnen bereik. Eerst nog voor enkele welgestelde personen in de buurt, waar vervolgens iedereen kwam kijken bij belangrijke gebeurtenissen, later voor elk gezin.

Dat televisie compleet anders werkte dan bijvoorbeeld radio, ondervond Richard Nixon in levende lijve. In 1960 organiseerde CBS in de aanloop naar de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten een debat tussen de twee kandidaten: John F. Kennedy en Richard Nixon. Het debat werd zowel op de radio als op televisie uitgezonden. (1) Na afloop van het debat bleek dat de televisiekijkers de voorkeur gaven aan de koele, knappe Kennedy, tegenover de duidelijk zwetende Nixon. De radioluisteraars gaven juist de voorkeur aan Nixon. Kennedy won omdat hij beter met het nieuwe medium van televisie kon omgaan, niet omdat hij betere ideeën had dan zijn rivaal. (Street 2001, p.205)

Opvallend genoeg kom ik het voorbeeld van het verkiezingsdebat tussen Kennedy en Nixon al tegen in allerlei artikelen en boeken sinds mijn eerste studiejaar, maar er is geen enkele literatuur te vinden met een bronverwijzing naar het daadwerkelijke onderzoek. Wel of geen onderzoek, het is in ieder geval duidelijk dat televisie veel meer onbedoelde signalen, zoals lichaamshouding, kan doorsturen dan radio. Dit fundamentele verschil met bijvoorbeeld de radio heeft belangrijke gevolgen gehad voor het voeren van politiek in de media in de laatste helft van de twintigste eeuw, waarbij een goed beeld steeds belangrijker werd tegenover een goede inhoud.

Figuur 2-7: Kennedy (l) en Nixon in debat (Afbeelding is afkomstig uit het publieke domein.)

Broadcast

Als we nu samenvattend kijken naar de traditionele massamedia zoals die hierboven besproken zijn, dan kunnen we meteen concluderen dat deze media in alle vormen een top-down hiërarchie hebben en dat ze werken volgens het broadcast model . Top-down wil zeggen dat beslissingen over het medium worden genomen vanuit de top van de hiërarchie van de overheid, politieke organisaties of de mediaorganisatie. Het publiek heeft niks te zeggen over het aanbod. Broadcast betekent in de letterlijke zin van het woord 'breed zaaien'. De informatie wordt centraal gereproduceerd en massaal verspreid aan iedereen in het publiek.

Tenslotte hebben we gezien dat elk medium zijn eigen manier van het voeren van politiek met zich meebrengt. De politici die als eerste doorhebben hoe dat in zijn werk gaat hebben vaak een enorme voorsprong op hun 'concurrentie'.

World Wide Web

Een van de belangrijkste onderdelen van het internet, het wereldwijde netwerk tussen computers, is het world wide web . Het web is in 1990 ontwikkeld door Tim Berners-Lee van CERN, het Europees instituut voor nucleair onderzoek. (2) Het world wide web is het netwerk van naar elkaar verwijzende internetpagina's met naar elkaar verwijzende hyperlinks. Een andere applicatie die veel wordt gebruik op het internet is e-mail, het systeem van het versturen en ontvangen van berichten. Tegenwoordig wordt in plaats van de term 'web' ook veel de meeromvattende tem internet gebruikt. Het CERN gaf in 1993 alle protocollen rondom het web vrij, iedereen kan ze zonder kosten of restricties gebruiken.

In vergelijking met de traditionele media is de organisatiestructuur van het internet compleet anders. Zo is de structuur niet top-down, maar in de vorm van een netwerk. Elke computer die op het internet is aangesloten kan in principe een website aanbieden voor gebruikers van het internet. Dit betekent ook dat de informatie niet centraal, door één organisatie wordt aangeboden. Iedereen is in theorie in staat om zijn eigen massapubliek te trekken. In hoofdstuk vier zal ik dieper ingaan op deze verschillen van het internet tegenover de traditionele media.

Op het gebied van nieuwe media in het algemeen en het internet in het bijzonder is het nog zoeken naar de beste manier om politiek te bedrijven. Howard Dean heeft tijdens zijn campagne om gekozen te worden tot de Democratische presidentskandidaat op grote schaal gebruik gemaakt van het internet. Hierbij speelde ook zijn eigen weblog en dat van sympathisanten een grote rol. Om de mogelijke rol van weblogs in de politiek te bestuderen, is het van belang dat deze eerst duidelijk beschreven wordt. Dat gebeurt in het volgende hoofdstuk.

[Volgende pagina >>>]

Voetnoten

  1. De debatten tussen Nixon en Kennedy zijn te beluisteren en na te lezen (maar helaas niet te zien) op de site van de John F. Kennedy Library, het eerste debat is te vinden op http://www.jfklibrary.org/60-1st.htm (5 september 2005).
  2. De eerste internetpagina is gearchiveerd op http://www.w3.org/History/19921103-hypertext/hypertext/WWW/Link.html (5 september 2005) door het World Wide Web Consortium, de organisatie die de standaarden van het internet beheert.