[4.2] Botsende belangen: crisis

Fusiekoorts

De balans van belangen tussen politici, burgers en media blijft redelijk in evenwicht tot halverwege de jaren tachtig. Televisie en radio zijn in de meeste landen, met uitzondering van de Verenigde Staten, voor een groot deel in handen van de overheid in de vorm van publieke omroepen. Kranten houden zich in het algemeen aan de regels die de overheid heeft opgesteld. Zelfs in de 'vrije' Verenigde Staten heeft de Federal Communications Commission (FCC) een flinke vinger in de pap over wat er allemaal wel, maar vooral niet, in de traditionele media gepubliceerd mag worden. (Castells 2004, p. 317) Zo legde de FCC in 2004 nog een enorme boete op aan CBS omdat in de pauze van de Superbowl Janet Jackson, volgens haarzelf per ongeluk, voor een paar seconden een blote borst liet zien.

Maar alles verandert door de 'explosie' van nieuwe communicatietechnieken. De introductie van de kabeltelevisie en -radio, satellietcommunicatie en het gebruik van computers geven de traditionele media veel meer mogelijkheden om sneller een grote publiek te bereiken met meer informatie. In een televisie- en radiomarkt die eerst te streng gereguleerd was voor nieuwe spelers om flink geld te verdienen, staan de investeerders nu te trappelen om in te stappen.

Er ontstaat een golf van fusies die duurt tot en met de jaren negentig, waarin de meeste commerciële mediabedrijven zich bundelen tot een handvol mediaconglomeraten die niet nationaal, maar globaal opereren. Het toverwoord hierbij is synergie. Naast horizontale fusies van mediabedrijven ontstaan er ook verticale fusies waarin mediabedrijven samengaan met technische distributeurs zoals kabelbedrijven. Hierdoor kan het hele proces van productie tot distributie binnen één bedrijf plaatsvinden. Deze ontwikkelingen werden ondersteund door het wegnemen van handelsbarrières door supernationale organisaties zoals de WTO, de NAFTA en de EU en de globaliserende economie in het algemeen. (McChesney 1999, p. 78)

Uiteindelijk zijn er nu wereldwijd ongeveer tien mediaconglomeraten die het grootste deel van alle media-uitingen in de wereld in handen hebben. Het Amerikaanse tijdschrift The Nation heeft in een flash-animatie de stand van zaken van 2001 overzichtelijk weergegeven. (1) Inmiddels zijn er ongetwijfeld weer meer bedrijfsonderdelen toegevoegd aan deze conglomeraten.

Ook in Nederland zijn de traditionele media sinds die tijd ondergebracht in verschillende wereldconglomeraten. RTL Nederland is eigenaar van RTL4, RTL5, RTL7 (voorheen Yorin) en RTLfm, maar is op haar beurt weer onderdeel van Bertelsmann , een van de tien conglomeraten die in de flash-animatie van The Nation genoemd worden. Het onderstaande overzicht uit mei 2005 laat zien dat het Nederlandse medialandschap voor het grootste gedeelte in handen is van acht grote spelers. Enkele opereren wereldwijd, anderen alleen in Nederland, maar hebben een enorme schare aan mediabedrijven onder hun hoede en hebben hiermee een groot deel van de markt in handen.

Naam In Nederland Opereert ook in
Bertelsmann RTL4, RTL5, RTL7 (voorheen Yorin), RTLfm Wereldwijd in muziek (BMG), tijdschriften, grootste filmproducent in Europa.
PCM Algemeen Dagblad, de Volkskrant, NRC Handelsblad, Trouw, regionale kranten, uitgeverijen Alleen in Nederland
Politiek (regering) Alle publieke televisie- en radiozenders, zowel lokaal, regionaal, nationaal en internationaal, Omroep.nl Alleen in Nederland
SBS Broadcasting SBS6, Net5, Veronica, Veronicagids Europa (vooral Scandinavië) met televisie- en radiozenders
Talpa Talpa, Radio538 Radiozenders in België en Denemarken
Telefónica Endemol Wereldwijd in Spaans- en Portugeestalige landen televisiezenders en internetdiensten
Telegraaf Media Groep Telegraaf, Spits, regionale kranten, tijdschriften, huis-aan-huisbladen, aandeel in Wegener, aandeel in SBS Nederland Alleen in Nederland
Viacom MTV, TMF, The Box, Nickelodeon Wereldwijd in televisie (CBS, MTV) en film (Paramount Pictures)
Figuur 4-1: Grote spelers in de Nederlandse traditionele media

Media krijgen meer macht

De verandering van het medialandschap aan het einde van de twintigste eeuw heeft een aantal forse gevolgen. Door de grote concentratie van de markt in een klein aantal mediaconglomeraten, neemt de macht van deze conglomeraten toe.

Ten eerste voelen de mediaconglomeraten zich niet langer gebonden aan de wetgeving zoals de landelijke overheid die opstelt. De multinationals torenen hoog boven de macht van de landelijke overheden uit en onderling kunnen de landen geen overeenstemming bereiken om organisaties als de VN of de EU slagvaardiger te maken tegenover deze multinationals.

Een uitstekend voorbeeld hiervan is de ontstaansgeschiedenis van RTL in Nederland. In 1989 richt Radio Télévision Luxembourg (RTL) de Nederlandstalig zender RTL Véronique op. Omdat in Nederland commerciële zenders nog niet werden toegestaan, werd RTL Véronique via satellietschotels vanuit Luxemburg uitgezonden. Nog steeds hebben RTL4 en RTL5 hun basis in Luxemburg en vallen ze buiten de Nederlandse wetgeving. In mei 2005 maakte RTL Nederland bekend dat ze van plan is om Yorin (inmiddels RTL7) ook naar Luxemburg te verhuizen, om zo de Nederlandse regels te kunnen omzeilen.

Ten tweede zijn de conglomeraten meer afhankelijk geworden van haar publiek, voornamelijk in de vorm van reclame-inkomsten. Een commercieel bedrijf heeft altijd winstoptimalisatie tot doel. Dat wil zeggen dat men er naar streeft om een zo hoog mogelijke winst binnen te halen. De traditionele media bereiken dit voornamelijk door zoveel mogelijk kijkers, luisteraars of lezers te trekken, zoals ik eerder al vermeldde.

De manier waarop een zender om het grootste publiek kan trekken is om op zoek te gaan naar de grootste gemeenschappelijke deler. Vooral in het televisielandschap is deze ontwikkeling duidelijk te zien. Met welke programma's bereik je in één klap het grootste publiek? Dat zijn amusementsprogramma's, afgesteld op een zo groot mogelijk 'gemiddeld' publiek. De televisie is een push-medium en wordt door de kijkers gebruikt om zich te laten vermaken als ze na een lange dag hard werken op de bank ploffen. Een push-medium betekent dat de kijkers passief gebruik van het medium en afwachten wat het medium hen brengt. Dat wil overigens niet zeggen dat de kijker deze informatie niet actief bewerkt, zoals bijvoorbeeld John Fiske beschrijft in Television Culture (1987). Maar de kijker is wel afhankelijk van het aanbod op televisie, hij kan niet zelf actief op zoek gaan naar informatie, zoals in een bibliotheek of op internet.

Dat televisiekijkers vooral amusement kiezen om te kijken blijkt uit de jaarlijkse top honderd van programma's met de hoogste kijkcijfers. Ieder jaar halen de sportprogramma's, met name voetbalwedstrijden, de hoogste kijkcijfers, gevolgd door andere amusementsprogramma's. In 2004 stond er geen programma over politiek in de top honderd. In het verkiezingsjaar 2003 stond het lijsttrekkersdebat op de zestiende plaats. (2) In een poging om politiek en amusement te combineren zond RTL4 in 2002 een verkiezingsdebat uit ingebed in de finale van de Soundmixshow. (3)

Niet alleen televisie, maar ook andere traditionele media zijn vooral gericht op entertainment. Van het palet van Nederlandse radiozenders zijn er maar twee zenders die continu nieuws brengen, namelijk Radio 1 en Business Nieuws Radio, andere zenders komen om het half uur of uur met een nieuwsupdate.

We moeten niet uit het oog verliezen dat deze media als push- en broadcastmedia ook uitstekend geschikt zijn om deze entertainmentfunctie te vervullen en dat ze daarmee niet per definitie 'slecht' zijn voor hun publiek.

De kranten kunnen in deze trend naar entertainment misschien een uitzondering vormen. Een krant vereist namelijk een actievere houding van haar lezers. Ze moeten immers zelf kiezen welke artikelen uit een krant ze niet doorlezen, ze vluchtig lezen of helemaal doorlezen tot de laatste punt. Een krant wordt niet alleen gelezen om amusement, maar heeft ook als doel om te informeren over nieuws en achtergronden. De Telegraaf, de grootste krant van Nederland, wordt wel beschouwd als de krant die het meeste amusement brengt, terwijl kranten van PCM meer gefocust zijn op nieuws. Toch hebben ook de kranten van PCM steeds meer aandacht voor entertainment, bijvoorbeeld in de vorm van nieuws over lifestyle. Denk bijvoorbeeld aan de tijdschriftachtige magazines die op zaterdag als bijlage bij de krant wordt geleverd.

De kranten die georganiseerd zijn op abonnementen en losse verkoop verliezen echter steeds meer terrein aan de gratis kranten Metro en Spits. Deze kranten worden compleet gefinancierd door adverteerders en worden gratis uitgedeeld in het openbaar vervoer. Deze kranten stellen zichzelf als doel om de lezer in twintig minuten te voorzien van een combinatie van nieuws en achtergronden en amusement. Omdat de gratis kranten geen (grote) nieuwsredacties hebben, nemen ze het meeste nieuws direct over van persbureaus als ANP en Reuters. Binnen andere krantenredacties wordt denigrerend gesproken over de gratis kranten als een 'advertentiefuik', maar ze winnen wel fors terrein ten opzichte van de kranten op basis van abonnementen en losse verkoop. (4)

Horserace

De gevolgen van deze ontwikkelingen voor de verslaggeving van de politiek in de traditionele media zijn dramatisch. Politieke onderwerpen moeten voor aandacht concurreren met amusement en het moet kijkers, luisteraars en lezers trekken. Traditionele media framen het nieuws op een dergelijke manier dat het lijkt op amusement. Hierdoor wordt de inhoud van het nieuws en politieke onderwerpen minder belangrijk en is er meer aandacht voor de 'amusementswaarde' van het nieuws. Zo stelt ook Manuel Castells :

Only "bad news," relating to conflict, drama, unlawful deals, or objectionable, behavior, is interesting news. Since news is increasingly framed to parallel (and compete with) entertainment shows, or sports events, so is its logic. It requires drama, suspense, conflict, rivalries, greed, deception, winners and losers, and, if possible, sex and violence. Following the pace, and language, of sports casting, "horse race politics" is reported as an endless game of ambitions, maneuvers, strategies, and counter-strategies, with the help of insider confidences and constant opinion polling form the media themselves.
(Castells 2004, p. 379)

Deze concurrentie met amusement zorgt ervoor dat het nieuws over politieke zaken verwordt tot een soort van sportverslaggeving. Mediawetenschappers spreken tegenwoordig van een horserace. De aandacht verschuift van de inhoud van de politiek naar een meta-niveau waarin allen nog maar gepraat wordt over de manier van politiek voeren en de gevolgen daarvan voor de campagne en de laatste peilingen.

Als voorbeeld neem ik de verslaggeving van de referendumcampagnes voor en tegen de invoering van de Europese grondwet in mei 2005. De traditionele media gaven meer aandacht aan de misstappen van de leden van het kabinet en de gevolgen daarvoor voor de peilingen, dan aan de actuele inhoud van de grondwet.

De politici hebben geen keuze om niet mee te doen aan deze sportverslaggeving, zonder media-aandacht kun je immers geen politiek bedrijven, zeker niet als je concurrenten wel meedoen. Bij het verkiezingsdebat in de Soundmixshow in 2002 hadden veel deelnemers moeite met de opzet van het debat, maar ze konden niet weigeren omdat andere politici wel mee zouden doen. Tijdens het debat was er amper een mogelijkheid om op de inhoud van de politiek in te gaan, de presentator en het publiek hadden veel meer lol in de snerende opmerkingen die heen en weer vlogen tussen Pim Fortuyn en Ad Melkert .

Ook de publieke omroepen moeten meedraaien in dit circus. De nieuwsverslaggeving van het NOS Journaal moet concurreren met het RTL-nieuws en Hart van Nederland, waarin politiek nieuws een stuk minder aandacht krijgt. Ook de nieuwsrubrieken van de publieke omroepen moeten opboksen tegen het aanbod op de commerciële zenders en zijn daardoor genoodzaakt om de manier waarop verslag wordt gedaan van politieke onderwerpen aan te passen.

Door de horserace krijgt dus de inhoud van de politiek minder aandacht in de traditionele media. De aandacht gaat juist uit naar de manier waarop er politiek gevoerd wordt en hoe het image van een politicus tot stand komt. Politici worden vanzelf meegesleurd in dit proces, zo blijkt uit het voorbeeld van de Soundmixshow. In de Verenigde Staten is het inmiddels de gewoonste zaak van de wereld om de naam van je tegenstander door het slijk te halen zonder politieke onderbouwing. Dat bleek ook uit het proces rondom het overspel van president Clinton in 1998 en 1999. Op deze manier zorgt de politiek ook zelf voor het in stand houden van de situatie waarin er amper over politieke inhoud gepraat wordt, maar waarin juist veel meer aandacht is voor de schandalen in de politiek. Het spreekt voor zichzelf dat de burgers hierdoor een lagere dunk krijgen van politici.

Vertrouwen in de politiek

De sportverslaggeving van de politiek, waarbij vooral negatief nieuws veel aandacht krijgt, zorgt ervoor dat het volk een groot wantrouwen krijgt tegen politici en 'de politiek' in het algemeen. Met de opkomst van Pim Fortuyn werd dit wantrouwen ook in Nederland zichtbaar gemaakt. De Nederlandse bevolking gaf bij de Tweede Kamer-verkiezingen van 2002 de zittende politici een enorme afstraffing.

Uit het Gallup International Millennium Survey uit 2002 blijkt dat in veel landen de bevolking vindt dat het land niet volgens hun wil wordt geregeerd. Van de 59 landen waarin burgers werden ondervraagd, was er in 47 landen een meerderheid van mening dat hun land niet volgens hun wil wordt geregeerd. De resultaten van enkele landen staan in figuur 4-2. Opvallend is het grote wantrouwen in de landen van het voormalige Oostblok, waarbij Rusland de kroon spant met 94 procent van de bevolking die op deze vraag negatief antwoordt. Ook andere voormalige Oostbloklanden hebben een hoge score. Een verklaring hiervoor kan zijn dat de bevolking na de val van de muur ondanks de democratische rechten weinig merkt van de verbeteringen in hun maatschappij ten opzichte van het oude communistische regime.

Landen in de rest van Europa en de Verenigde Staten schommelen tussen de vijftig tot zeventig procent 'nee', waarbij Nederland een uitzondering is. In Nederland werd het onderzoek al in 1999 uitgevoerd door het NIPO, toen antwoordde 45 procent ja en 44 procent nee.

Figuur 4-2: Antwoorden uit enkele landen op de vraag of hun land wordt geregeerd volgens de wil van het volk. (Gallup International Millenium Survey 2002)

Inmiddels kunnen we aan de hand van de uitslag van het referendum over de Europese grondwet in juni 2005 aannemen dat ook in Nederland de burgers het idee hebben dat de politiek niet namens hen regeert. In de Tweede Kamers waren de partijen CDA, VVD, PvdA en GroenLinks voor de grondwet. Zij bezetten samen 85 procent van de zetels. De bevolking van Nederland wees de grondwet echter af met een percentage van 62 procent.

[Volgende pagina >>>]

Voetnoten

  1. The Nation, Big Ten, http://www.thenation.com/special/bigten.html (27 mei 2005)
  2. Stichting KijkOnderzoek, Top 100 van de programma's van 2003 en 2004, http://www.kijkonderzoek.nl (31 mei 2005)
  3. De Telegraaf, Fortuyn winnaar RTL-verkiezingsdebat (28 april 2002), http://krant.telegraaf.nl/nieuwslink/teksten/nws.zaal.debat.fortuyn.werden.html (15 juni 2005)
  4. De Volkskrant, Oplagen kranten blijven dalen (5 april 2005), http://www.volkskrant.nl/media/1112678080059.html (15 juni 2005)